De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting op van €51,40 omdat zijn auto op 19 november 2018 zonder betaling geparkeerd stond nabij een adres in Amsterdam. Eiser voerde aan dat hij vanwege een spoedige levering bij zijn schoonvader, die net was opgenomen in een verzorgingstehuis, genoodzaakt was te parkeren en dat er geen duidelijke parkeermeters of borden aanwezig waren. Tevens stelde hij dat de heffingsambtenaar onvoldoende op zijn bezwaar was ingegaan, wat zou leiden tot een motiveringsgebrek.
De rechtbank oordeelde dat het regime van betaald parkeren voldoende kenbaar was gemaakt door aanwezige parkeerautomaten en bebording in de directe omgeving. Eiser had bovendien een onderzoeksplicht en had zelf ook parkeerautomaten waargenomen tijdens het lopen naar het verzorgingstehuis. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar adequaat had gereageerd op de bezwaargronden en dat er geen motiveringsgebrek bestond.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien om het griffierecht te vergoeden. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.