Verzoeker, werkzaam bij het ministerie van Financiën sinds 2006, werd geschorst en later onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd vanwege vermeend ernstig plichtsverzuim bij het doen van belastingaangiften over 2014-2017. De kwestie betrof het niet opgeven van een beleggingsaccount van zijn fiscaal partner in de Verenigde Staten, wat volgens verweerder leidde tot onjuiste aangiften.
Verzoeker betwistte dat hij zelf onjuiste aangiften had gedaan en verwees naar een opinie van prof. mr. Douma die de uitleg van artikel 2.17, derde lid, Wet IB 2001 door verweerder betwistte. De voorzieningenrechter volgde deze opinie en oordeelde dat dit artikel niet de grondslag biedt voor de stelling dat verzoeker een onjuiste aangifte heeft gedaan.
Verder stelde de voorzieningenrechter dat de door verweerder aangenomen zorgplicht van fiscale partners voor elkaars aangifte niet zonder meer aannemelijk is en dat het opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag een te verstrekkende maatregel is gezien de onduidelijkheid over de zorgplicht, de onberispelijke staat van dienst van verzoeker en de interne onrust binnen de Belastingdienst over disciplinaire maatregelen.
De voorzieningenrechter schorst daarom de bestreden besluiten en beveelt doorbetaling van het salaris tot zes weken na beslissing op bezwaar, wijst het verzoek voor toegang tot dienstgebouwen af, en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker.