De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht München. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse en Turkse nationaliteit, werd verdacht van twee pogingen tot plofkraken op geldautomaten in oktober 2018. De verdediging voerde aan dat de feitomschrijving in het EAB onvoldoende concreet was om een onschuldverweer te voeren, maar de rechtbank oordeelde dat de omschrijving voldoende was voor zowel de opgeëiste persoon als de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat de feiten voldoende zijn omschreven met vermelding van tijd, plaats en betrokkenheid, en dat de specialiteitsbeginsel gewaarborgd is. De strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht werd bevestigd, waarbij de poging tot medeplegen van plofkraken als strafbaar werd aangemerkt. Hoewel er sprake was van een weigeringsgrond omdat de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, werd op verzoek van de officier van justitie van deze grond afgezien vanwege het belang van een goede rechtsbedeling.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen andere weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. De overlevering aan Duitsland werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.