ECLI:NL:RBAMS:2019:9804

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 augustus 2019
Publicatiedatum
24 december 2019
Zaaknummer
C/13/668488 / JE RK 19-579
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging uithuisplaatsing kwetsbaar kind met Syndroom van Down noodzakelijk voor veiligheid en zorg

De rechtbank Amsterdam heeft op 13 augustus 2019 besloten tot verlenging van de uithuisplaatsing van een minderjarig kind met het Syndroom van Down, dat intensieve medische zorg nodig heeft. De uithuisplaatsing was aanvankelijk met spoed in april 2019 ingesteld vanwege twijfels over de psychische gesteldheid van de moeder en de dominante houding van de vader, die mogelijk de veiligheid en zorg voor het kind in gevaar brengen.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind, mede omdat er nog onduidelijkheid bestaat over de situatie van het oudere broertje, die mogelijk naar het buitenland is meegenomen. De samenwerking tussen de ouders en de gecertificeerde instelling is essentieel om te beoordelen of terugplaatsing verantwoord is.

Daarnaast is het van belang dat er contact wordt onderhouden tussen het kind en de moeder, met een eerste omgang gepland op 20 augustus 2019. De rechtbank benadrukt dat deze omgang belangrijk is voor het kind en kan bijdragen aan het wegnemen van het wantrouwen van de moeder over het welzijn van haar kind.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden via hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van het kwetsbare kind tot uiterlijk 18 april 2020.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Amsterdam
Zaakgegevens : C/13/668488 / JE RK 19-579
datum uitspraak: 13 augustus 2019

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen
de Gecertificeerde Instelling(GI), gevestigd te
Amsterdam
betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

[moeder] , wonende te [woonplaats] , is de moeder.

[vader] , wonende te [woonplaats] , is de vader.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: de moeder.
De vader wordt op dit moment als informant aangemerkt.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoek met bijlagen van de GI van 24 juni 2019, ingekomen bij de griffie op 26 juni 2019;
- het e-mailbericht van de GI van 12 augustus 2019, met daarin de laatste stand van zaken;
- een schriftelijke reactie van de moeder door haar overgelegd ter zitting van 13 augustus 2019.
Op 13 augustus 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder,
- de vader,
- de heer [medewerker GI] , namens de GI,
- mevrouw [maatschappelijk werkster] , namens Combiwel Maatschappelijk werk.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
Bij beschikking van 5 april 2019 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van 18 april 2019 is [minderjarige] definitief onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, te weten tot 18 april 2020.
Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 april 2019. Op 18 april 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor verblijf in een ziekenhuis en aansluitend in een pleeggezin voor de duur van vier maanden, te weten tot 18 augustus 2019.
[minderjarige] verblijft momenteel in een pleeggezin op een geheim adres.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een voorziening voor pleegzorg.

De standpunten

Ter zitting heeft de GI gepersisteerd bij het verzoek en dit mondeling toegelicht. Gedurende de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing dient duidelijkheid te komen of de ouders in staat zijn [minderjarige] op te voeden, over de psychische gesteldheid van de moeder en ook over de situatie van [broer] , het oudere broertje van [minderjarige] dat naar het buitenland is meegenomen. Ondertussen dient het contact tussen [minderjarige] en haar moeder te worden opgestart. De GI zal haar best doen, maar van de ouders wordt hetzelfde verwacht. Ter zitting heeft de GI laten weten dat op 20 augustus 2019 in de ochtend omgang kan plaatsvinden tussen [minderjarige] en haar moeder. Op een later moment zal de vader er ook bij betrokken worden.
De moeder heeft ter zitting – mede aan de hand van haar overgelegde schriftelijke reactie – naar voren gebracht dat zij [minderjarige] wil zien. Zij weet niet waarom [minderjarige] al vier maanden uit huis is geplaatst, waar zij is, wat er met haar gebeurt en of zij überhaupt nog wel leeft. De moeder wil graag samen zijn met de vader en haar kinderen [minderjarige] en [broer] . [broer] is bij haar moeder in Bulgarije. Hij gaat daar naar de crèche.
Ter zitting heeft de vader aangegeven dat hij wil dat [minderjarige] haar moeder kan zien. Hij weet niet waar [minderjarige] is en zet daar grote vraagtekens bij. Hij wil graag dat iemand van de GI betrokken wordt die niet bang is om [minderjarige] in contact te brengen met haar ouders.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat [minderjarige] in april 2019 met spoed uit huis is geplaatst. Zij heeft het Syndroom van Down en heeft intensieve (medische) zorg nodig. Er zijn zorgen over het psychisch en cognitief functioneren van de moeder en er wordt betwijfeld of zij hierdoor in staat is om goed genoeg voor [minderjarige] te zorgen. Ook de dwingende en dominante opstelling van de vader wordt als zorgelijk gezien. De twee jaar oude [broer] zou door de vader zijn meegenomen naar Egypte. De moeder zegt dat hij nu in Bulgarije is. [minderjarige] heeft langere tijd in een ziekenhuis verbleven omdat zij intensieve zorg nodig had. Vervolgens is [minderjarige] naar een – voor de ouders – geheim pleeggezin gegaan.
De kinderrechter is van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). Er is nog steeds angst dat ouders haar willen onttrekken aan de noodzakelijke hulp en haar geen veilige opvoedomgeving kunnen bieden. Het is nog niet duidelijk wat er met [broer] is gebeurd en hoe het met hem gaat. Verder dient er meer zicht te komen op het (psychisch) functioneren van de moeder. De samenwerking tussen de ouders en de GI is van groot belang om het voornoemde te kunnen onderzoeken en of terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder tot de mogelijkheden behoort. Vooral omdat [minderjarige] door haar kwetsbare gezondheid en het Syndroom van Down extra zorg nodig heeft.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat het wel van belang is dat er gedurende de uithuisplaatsing omgang plaatsvindt met in de eerste plaats de moeder, en later wellicht ook met de vader. Deze omgang is belangrijk voor [minderjarige] en kan daarnaast het wantrouwen bij de moeder over het lot van [minderjarige] wegnemen. De kinderrechter begrijpt dat er op 20 augustus 2019 omgang zal zijn tussen [minderjarige] en de moeder. Zij gaat er vanuit dat vervolgens indien dat veilig wordt geacht deze omgang vaker zal plaatsvinden.

De beslissing

De kinderrechter:
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 18 april 2020;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 augustus 2019.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam