AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering verdachte drugshandel aan België op basis Europees aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 december 2019 de vordering tot overlevering van een verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg te Liège. De verdachte, met de Nederlandse nationaliteit, werd verdacht van het invoeren, verhandelen en bezitten van grote hoeveelheden heroïne en cocaïne.
De verdediging stelde dat de feitomschrijving in het EAB onvoldoende was, met name over de locatie van het callcenter en de betrokkenheid van de verdachte. De rechtbank oordeelde echter dat de aanvullende informatie voldoende duidelijkheid bood over de aard, plaats en periode van de strafbare feiten, waardoor het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is.
De rechtbank stelde vast dat de feiten zijn opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet en dat de strafbaarheid ook onder Nederlands recht aanwezig is. De Belgische autoriteiten gaven de garantie dat, indien de verdachte tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, deze straf in Nederland zal worden uitgezeten.
Hoewel de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, werd op verzoek van het Openbaar Ministerie afgezien van de weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLWPro, omdat het onderzoek in België reeds was aangevangen en het belang van een goede rechtsbedeling dit rechtvaardigt.
De rechtbank besloot de overlevering toe te staan. Tegen deze beslissing is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan België toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751531-19
RK nummer: 19/3840
Datum uitspraak: 20 december 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 mei 2019 door de rechtbank van eerste aanleg van Liège, afdeling Liège (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 december 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. O. Saki, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek van 31 mei 2019. Uit nadere informatie van de Belgische autoriteit van 29 juli 2019 volgt dat het nationale aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Liège en referentienummer 2017/061 heeft.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in aanvullende informatie van de Belgische autoriteit van 5 december 2019. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van het voornoemde onderdeel van het EAB is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1.
Genoegzaamheid
Het standpunt van de verdediging.
Ter zitting heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon gesteld dat de feitsomschrijving ongenoegzaam is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit die omschrijving niet blijkt op welk adres in [plaats 1] het ‘callcenter’ gevestigd was en hoe vervolgens de link is gelegd tussen de verdachte, die woonachtig is in [plaats 2], als bewoner van dat adres en tussen verdachte en medeverdachte ‘rugzak’ die op zijn beurt verantwoordelijk wordt gehouden voor het transport van de verdovende middelen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving wel degelijk genoegzaam is, mede gelet op de aanvullende informatie van 29 juli 2019 en 5 december 2019. In haar ogen is de naleving van het specialiteitsbeginsel dan ook gewaarborgd.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt het volgende.
In aanvulling op het EAB is informatie verstrekt op 29 juli 2019, inhoudende dat de beschuldiging de invoer, de handel in en het bezit van verdovende middelen betreft. Uit aanvullende informatie van 5 december 2019 blijkt dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van het gedurende een periode van een maand invoeren en doorverkopen van 61,2 kilo heroïne en 2,97 kilo cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De rechtbank merkt nog op dat het een vervolgings-EAB betreft, zodat het onderzoek in België nog gaande is.
4.Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens en blijkens de aanvullende informatie van de Belgische autoriteit van 29 juli 2019 is op deze feiten naar Belgisch recht steeds een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De Procureur du Roi de Liège heeft per brief van 1 augustus 2019 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het Kaderbesluit d.d. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon].
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit (de rechtbank begrijpt: inzake de) toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW
Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd: - het onderzoek is reeds in België aangevangen;
- het bewijs bevindt zich in België;
- de medeverdachten worden in België vervolgd;
- de rechtsorde is in België geschokt nu de verdovende middelen aldaar zijn ingevoerd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft zij naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van de bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.
7.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
8.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 11b Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
9.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechtbank van eerste aanleg van Liège, afdeling Liège (België).
Aldus gedaan door
mr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,
mrs. H.J. Fehmers en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.