ECLI:NL:RBAMS:2019:9982

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
13 januari 2020
Zaaknummer
13/706432-11
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 140 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering aan Polen toegestaan ondanks verwerping gelijkstellingsverweer duurzaam verblijf

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court of Lublin. De zaak betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 1 jaar en 8 maanden waarvan nog 1 jaar en 19 dagen resteert.

Tijdens de procedure werd onderzocht of de opgeëiste persoon gelijkgesteld kon worden met een Nederlander wegens duurzaam verblijf in Nederland. De raadsvrouw stelde dat de persoon meer dan vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef en overhandigde daartoe bewijsstukken zoals jaaropgaven. De officier van justitie betwistte dit. De rechtbank oordeelde dat niet was aangetoond dat de persoon een duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan had opgebouwd en verwierp het gelijkstellingsverweer.

De rechtbank stelde vast dat het EAB aan de wettelijke eisen voldeed, dat er geen weigeringsgronden waren en dat de feiten waarvoor overlevering werd gevraagd strafbaar zijn volgens Nederlands recht. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe en verwerpt het gelijkstellingsverweer wegens onvoldoende bewijs van duurzaam verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/706432-11 (EAB I)
RK-nummer: 17/6448
Datum uitspraak: 19 december 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 september 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 april 2011 door
the District Court of Lublin(Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
wonende op het [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 26 juli 2018
De behandeling van de vordering is aangevangen op de openbare zitting van 26 juli 2018.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,
mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam, en een tolk in de Poolse taal.
Tegen de opgeëiste persoon zijn twee EAB’s uitgevaardigd. Zij hebben de parketnummers 13/706432-11 (EAB I; executie) en 13/737516-13 (EAB II; vervolging). De rechtbank heeft in beide zaken het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst teneinde zich te beraden over het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018 [1] , omdat dit arrest relevant is voor de afdoening van het EAB met het parketnummer 13/737516-13 (vervolging) en teneinde het EAB met het parketnummer 13/706432-11 (executie) gelijk af te doen met het vervolgings-EAB.
Zitting 2 april 2019
Op 2 april 2019 heeft de rechtbank de behandeling van het EAB voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van de schorsing bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw en een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft opnieuw in beide zaken het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde opnieuw vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten met betrekking tot de Poolse rechtstaat. De rechtbank acht beantwoording van die vragen relevant voor de afdoening van het EAB met het parketnummer 13/737516-13 (vervolging) en teneinde onderhavig EAB gelijk af te doen met het vervolgings-EAB.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
Zitting 5 december 2019
Op de openbare zitting van 5 december 2019 is de behandeling van de zaak voortgezet, in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van de schorsing bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw en een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van
the Provincial Court of Włodawavan 5 juli 2007, in rechte vaststaand op 8 april 2008, met referentie: II K 237/07.
In het EAB staat niet vermeld of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling van zijn zaak. Bij brief van 18 december 2017 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie verstrekt, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon en zijn advocaat aanwezig zijn geweest op de terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 8 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar en 19 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Artikel 6 OLW Pro

Standpunten ter zitting
Door de raadsvrouw is betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. De raadsvrouw heeft gesteld dat de opgeëiste persoon meer dan 5 jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Door de raadsvrouw zijn op de zitting van 26 juli 2018 een aantal stukken ter onderbouwing overgelegd, waaronder jaaropgaven voor de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de eis van onafgebroken rechtmatig verblijf gedurende de laatste vijf jaar.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Artikel 6, vijfde lid, OLW verklaart artikel 6, tweede lid, OLW van overeenkomstige toepassing op een vreemdeling, mits aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
de opgeëiste persoon heeft een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank wordt een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelijkgesteld. De rechtbank is van oordeel dat uit de door raadsvrouw overgelegde stukken niet volgt dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar een onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Gelet hierop is niet aangetoond dat hij een duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan heeft opgebouwd. Aan voorwaarde 1 is aldus niet voldaan. De rechtbank verwerpt het gelijkstellingsverweer.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
ten aanzien van feit 1:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
ten aanzien van feit 2:
mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 140 en 197a Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court of Lublin(Polen).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. D.C. van Reekum en N.M. van Waterschoot rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.C-216/18 PPU (ECLI:EU:C:2018:586).