Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procesgang
2.De inhoud van het klaagschrift
3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
Op 17 december 2019 werd klager verdacht van gevaarlijk rijgedrag in Amsterdam, waarbij hij onder meer tegen het verkeer in reed en over een fietspad. Naar aanleiding hiervan werd zijn rijbewijs op 18 december 2019 ingevorderd en op 30 december 2019 voor twee maanden ingehouden, tot uiterlijk 16 februari 2020.
Klager verzocht via een klaagschrift ex artikel 164 lid 8 WVW Pro 1994 om teruggave van zijn rijbewijs, stellende dat hij dit dringend nodig heeft voor zijn werk als chauffeur/bezorger via een uitzendbureau. Hij gaf aan dat hij door het ontbreken van zijn rijbewijs zijn baan dreigt te verliezen en daardoor financiële problemen ondervindt.
De officier van justitie verzette zich tegen teruggave vanwege het ernstige gevaar dat klager voor de verkeersveiligheid heeft veroorzaakt en verwees naar eerdere veroordelingen van klager voor rijden onder invloed en verkeersovertredingen. De rechtbank oordeelde dat de inhouding rechtmatig is, gelet op het ernstige feit en het strafblad van klager, en dat het persoonlijke belang niet opweegt tegen het algemeen belang van verkeersveiligheid. Het klaagschrift werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en de inhouding van het rijbewijs gehandhaafd tot 16 februari 2020.