ECLI:NL:RBAMS:2020:1038

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2020
Publicatiedatum
19 februari 2020
Zaaknummer
RK 20/58
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 4 WVW 1994Art. 164 lid 8 WVW 1994Art. 5 WVW 1994Art. 6 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring klaagschrift tegen inhouding rijbewijs wegens gevaarlijk rijden

Op 17 december 2019 werd klager verdacht van gevaarlijk rijgedrag in Amsterdam, waarbij hij onder meer tegen het verkeer in reed en over een fietspad. Naar aanleiding hiervan werd zijn rijbewijs op 18 december 2019 ingevorderd en op 30 december 2019 voor twee maanden ingehouden, tot uiterlijk 16 februari 2020.

Klager verzocht via een klaagschrift ex artikel 164 lid 8 WVW Pro 1994 om teruggave van zijn rijbewijs, stellende dat hij dit dringend nodig heeft voor zijn werk als chauffeur/bezorger via een uitzendbureau. Hij gaf aan dat hij door het ontbreken van zijn rijbewijs zijn baan dreigt te verliezen en daardoor financiële problemen ondervindt.

De officier van justitie verzette zich tegen teruggave vanwege het ernstige gevaar dat klager voor de verkeersveiligheid heeft veroorzaakt en verwees naar eerdere veroordelingen van klager voor rijden onder invloed en verkeersovertredingen. De rechtbank oordeelde dat de inhouding rechtmatig is, gelet op het ernstige feit en het strafblad van klager, en dat het persoonlijke belang niet opweegt tegen het algemeen belang van verkeersveiligheid. Het klaagschrift werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en de inhouding van het rijbewijs gehandhaafd tot 16 februari 2020.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 96/307193-19
RK: 20/58
Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. D.A.W. Dekker,
[adres 2] ,
klager.

1.De procesgang

Het klaagschrift is op 7 januari 2020 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 29 januari 2020 klager, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. A. Lobregt, in openbare raadkamer gehoord.

2.De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Klager heeft in zijn klaagschrift betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk en – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Klager werkte via een uitzendbureau als chauffeur/bezorger voor het bedrijf [bedrijf 1] en bezorgde zelfstandig pakketten op locatie, in verschillende steden in Nederland. Klager kan op dit moment niet werken, omdat hij zijn rijbewijs niet heeft. Als klager zijn rijbewijs niet terug krijgt, dan zal hij zijn baan verliezen, met alle gevolgen van dien. Klager is aangemeld voor een cursus bij het CBR, maar omdat klager geen werk heeft, is het bijna niet mogelijk om deze cursus te betalen.
De raadsman heeft in openbare raadkamer een bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat klager werkzaam is als uitzendkracht bij [uitzendbureau] . Zodra klager het rijbewijs terug heeft, kan hij na enkele dagen weer aan het werk. Hij wil graag werken, want hij heeft het geld nodig, omdat hij zijn kinderen van drie en vijf jaar moet onderhouden en de moeder van de kinderen staat onder bewind. Klager heeft er spijt van.

3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs aan klager. Klager is gevlucht voor de politie en was daarbij een niet gering gevaar voor de verkeersveiligheid. Klager reed op een rotonde tegen het verkeer in en over een fietspad. Een inhouding van twee maanden is nog aan de lage kant. Gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel een onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest, en dat het persoonlijk belang van klager niet opweegt tegen het algemeen belang, waaronder de verkeersveiligheid, dat met verdere inhouding is gediend.

4.De beoordeling

Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 5/6 WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 17 december 2019.
Klager is volgens het proces-verbaal op 17 december 2019 betrokken geweest bij gevaarzettend gedrag.
Op 18 december 2019 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd.
Op 30 december 2019 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs twee maanden wordt ingehouden, uiterlijk tot 16 februari 2020.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van 23 januari 2020 blijkt onder meer dat klager eerder is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol en overtredingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Het is nog onbekend wanneer de strafzaak tegen klager behandeld zal worden.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 rechtmatig, nu het vermoeden bestaat dat klager door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
Gelet op de ernst van het feit waarvan klager wordt verdacht, het strafblad van klager en ondanks zijn persoonlijke omstandigheden moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, niet korter dan de tijd die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden zal zijn geweest. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank verklaart het beklag
ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.E. Leijten, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier
en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.
Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.