ECLI:NL:RBAMS:2020:1093

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
21 februari 2020
Zaaknummer
13/751260-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Franse officier van justitie

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een Colombiaanse verdachte aan Frankrijk op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse openbare aanklager te Tours. De procedure omvatte meerdere zittingen tussen mei 2019 en januari 2020, waarin de verdachte werd bijgestaan door raadsman en tolk. De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en de rechtmatigheid van het EAB.

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit, georganiseerd of gewapend diefstal, voorkomt op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW) en dat de dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. De rechtbank bekeek ook de bevoegdheid van de Franse officier van justitie om het EAB uit te vaardigen en concludeerde, mede op basis van het arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2019, dat deze bevoegd is en dat er effectieve rechterlijke bescherming bestaat.

Na het beantwoorden van prejudiciële vragen en het herhaaldelijk schorsen van de procedure voor nadere informatie, besloot de rechtbank dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751260-19
RK nummer: 19/2164
Datum uitspraak: 28 januari 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 april 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 maart 2019 door de openbare aanklager te Tours (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1979,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [PI te plaats]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 28 mei 2019
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 mei 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.A.F.C. Tack, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Spaanse taal.
De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen en het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afgewezen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct een tussenuitspraak gedaan.
Tussenuitspraak 28 mei 2019
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 28 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:4106) het onderzoek heropend en geschorst tot 18 juni 2019 om 10:00 uur om de officier van justitie – in het licht van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (OG) en C-509/18 (PF) – in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen.
Zitting 18 juni 2019
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 18 juni 2019.
Mr. R. Vorrink was aanwezig als officier van justitie. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam (die de zaak heeft overgenomen van mr. Tack), en door een tolk in de Spaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor een periode van 30 dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Het onderzoek ter zitting is voor onbepaalde tijd geschorst om nadere vragen aan de Franse uitvaardigende autoriteit te stellen.
Zitting 2 juli 2019
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 2 juli 2019.
Mr. N.R. Bakkenes was aanwezig als officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen. Mr. H.G. Koopman heeft namens hem het woord gevoerd.
Het onderzoek ter zitting is tot 4 juli 2019 geschorst omdat de opgeëiste persoon niet naar de rechtbank was vervoerd terwijl hij wel bij de behandeling van het onderzoek aanwezig wilde zijn.
Zitting 4 juli 2019
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 4 juli 2019.
Mr. R. Vorrink was aanwezig als officier van justitie. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. H.G. Koopman en door een tolk in de Spaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en meegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 18 juli 2019.
Zitting 18 juli 2019
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting heropend en tot 25 juli 2019 geschorst omdat zij meer tijd nodig had om zich te beraden op haar uitspraak.
Zitting 25 juli 2019
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en direct een tussenuitspraak gedaan, inhoudende dat nadere vragen aan de Franse autoriteiten moeten worden gesteld.
Zitting 8 augustus 2019
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 8 augustus 2019.
Mr. K. van der Schaft en mr. N.R. Bakkenes waren aanwezig als officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door mr. H.G. Koopman en door een tolk in de Spaanse taal.
Zitting 22 augustus 2019
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak op 22 augustus 2019 het onderzoek heropend en
geschorst en prejudiciële vragen gesteld betreffende de bevoegdheid van de Franse officier van justitie om een EAB uit te vaardigen en de mogelijkheid van een beroep in rechte daartegen [1] .
Zitting 28 januari 2020
De behandeling is voortgezet op de openbare zitting van 28 januari 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern en de gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon, mr. H.G. Koopman.
De rechtbank heeft het onderzoek op 28 januari 2020 gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Colombiaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van
the examining judge in Tours county courtvan 27 maart 2019.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Frankrijk strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De bevoegdheid van de Franse officier van justitie

Naar aanleiding van voornoemde prejudiciële vragen van deze rechtbank heeft het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie op 12 december 2019 arrest gewezen [2] waarin onder meer het volgende is overwogen.
(…)

53 In casu is niet omstreden dat de leden van het openbaar ministerie, die in Frankrijk de hoedanigheid van magistraat hebben, deelnemen aan de rechtsbedeling.

54 Wat de vraag betreft of deze magistraten in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel op onafhankelijke wijze optreden, blijkt uit de schriftelijke en mondelinge opmerkingen die door de Franse regering ter terechtzitting bij het Hof zijn ingediend, dat artikel 64 van Pro de Franse grondwet de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht waarborgt, die bestaat uit de zittende en de staande magistratuur, en dat krachtens artikel 30 CPP Pro [3] het openbaar ministerie zijn taken op objectieve wijze uitoefent, los van elke van de uitvoerende macht afkomstige instructie, aangezien de minister van Justitie aan de magistraten van het openbaar ministerie alleen algemene instructies inzake het strafrechtsbeleid kan geven teneinde de coherentie van dat beleid op het gehele grondgebied te verzekeren. Volgens deze regering kunnen deze instructies in geen geval tot gevolg hebben dat een magistraat van het openbaar ministerie wordt belet om zijn beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot de evenredigheid van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. Overeenkomstig artikel 31 CPP Pro oefent het openbaar ministerie voorts de strafvordering uit en vordert het de toepassing van de wet met inachtneming van het beginsel van onpartijdigheid.

55 Dergelijke gegevens volstaan als bewijs dat in Frankrijk de magistraten van het openbaar ministerie over de bevoegdheid beschikken om op onafhankelijke wijze, met name ten opzichte van de uitvoerende macht, de noodzaak en de evenredigheid van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel te beoordelen en dat zij deze bevoegdheid op objectieve wijze uitoefenen door rekening te houden met alle belastende en ontlastende elementen.

(…)

67 Wat de onderhavige zaken betreft, geschiedt blijkens het dossier waarover het Hof beschikt de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging in de Franse rechtsorde noodzakelijkerwijs middels een nationaal aanhoudingsbevel dat wordt verstrekt door een rechterlijke instantie, in de regel de rechter-commissaris. Volgens artikel 131 CPP Pro kan de rechter-commissaris, wanneer een persoon op de vlucht is of buiten het grondgebied van de Republiek verblijft, na overleg met de officier van justitie, tegen deze persoon een aanhoudingsbevel uitvaardigen indien het feit strafbaar is met een correctionele gevangenisstraf of met een zwaardere straf.

68 Uit de prejudiciële verwijzing in zaak C‑626/19 PPU blijkt dat, wanneer een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging wordt uitgevaardigd door het openbaar ministerie, de rechterlijke instantie die het nationale aanhoudingsbevel heeft verstrekt op basis waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, het openbaar ministerie tegelijkertijd verzoekt een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen en een beoordeling maakt van de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van een dergelijk Europees aanhoudingsbevel en met name van de evenredigheid ervan.

69 Voorts kan volgens de Franse regering in de Franse rechtsorde tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, als proceshandeling, op grondslag van artikel 170 CPP Pro een vordering tot nietigverklaring worden ingesteld. Met een dergelijke vordering, die openstaat zolang het strafrechtelijke onderzoek loopt, kunnen de partijen in de procedure hun rechten doen naleven. Indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd tegen een persoon die nog geen partij is in de procedure, kan hij de vordering tot nietigverklaring instellen nadat hij daadwerkelijk is overgeleverd en is verschenen voor de rechter-commissaris.

70 Dat er in de Franse rechtsorde dergelijke procedurevoorschriften bestaan, maakt aldus duidelijk dat de evenredigheid van de beslissing van het openbaar ministerie om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen vooraf kan worden getoetst door de rechter, zelfs vrijwel gelijktijdig met de uitvaardiging ervan, en hoe dan ook na de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, waarbij deze toetsing, naargelang van het geval, vóór of na de daadwerkelijke overlevering van de gezochte persoon kan plaatsvinden.

71 Een dergelijk stelsel voldoet derhalve aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming.

(…)
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Franse officier van justitie bevoegd is om een EAB uit te vaardigen en beroep in rechte daartegen mogelijk is.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de openbare aanklager te Tours ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,
mrs. H.J. Fehmers en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2020.
De jongste rechter is buiten staat te tekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.C-626/19 PPU
3.Code de procédure pénale (Wetboek van Strafvordering)