Eiser, met medische klachten, vroeg huishoudelijke hulp aan bij de gemeente Amsterdam op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De gemeente kende hem aanvankelijk drie uur en vijftien minuten per week toe, waartegen eiser bezwaar maakte. Tijdens de procedure nam de gemeente een nieuw besluit waarbij een persoonsgebonden budget van €56,55 per week werd toegekend voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2022.
De rechtbank behandelde het beroep automatisch tegen dit nieuwe besluit. Eiser verscheen niet op de zitting en diende geen beroepsgronden in om aan te geven waarom hij het niet eens was met het nieuwe besluit. De rechtbank heeft eiser meerdere malen de gelegenheid gegeven om zijn gronden kenbaar te maken, maar zonder resultaat.
Omdat het niet duidelijk was waarom eiser het niet eens was met het nieuwe besluit, kon de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordelen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Wel werd bepaald dat de gemeente het betaalde griffierecht van €46,- aan eiser moet vergoeden, omdat het nieuwe besluit gunstiger was en mede door het beroep tot stand kwam.