ECLI:NL:RBAMS:2020:1210

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2020
Publicatiedatum
26 februari 2020
Zaaknummer
13/751817-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek overleveringsverzoek Europees aanhoudingsbevel wegens opschorting gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 februari 2020 een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. De opgeëiste persoon wordt verdacht van medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en een gevangenisstraf van één jaar is opgelegd.

De raadsman van de opgeëiste persoon betoogde dat de straf voorwaardelijk was en nog niet was omgezet, wat overlevering zou uitsluiten. De officier van justitie verwees naar eerdere jurisprudentie en stelde dat dit niet relevant was. De rechtbank volgde het standpunt van de officier van justitie en zag geen reden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.

Kort voor de zitting overhandigde de raadsman niet-vertaalde Poolse documenten die volgens hem aantoonden dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf was opgeschort. Een vertaling van een van deze stukken, een beslissing van 28 oktober 2019, werd later ingediend. Op basis hiervan besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te reageren en navraag te doen bij de uitvaardigende autoriteit.

De rechtbank betreurde het late aanleveren en het ontbreken van vertalingen bij de eerste indiening van de stukken door de verdediging. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon was sinds 11 september 2019 geschorst. De rechtbank beval verdere oproepingen en stelde vast dat tegen deze tussenuitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek naar de overlevering vanwege nieuwe vertaalde stukken die wijzen op opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751817-19
RK nummer: 19/5331
Datum uitspraak: 25 februari 2020
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 september 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 november 2014 door
the Regional Court of Law (Sąd Okręgowy) in Częstochowa(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
enforceable judgement of the District Court of Law (Sąd Rejonowy) in Częstochowavan 25 april 2007 (III K 482/05).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De raadsman betoogt dat de straf voorwaardelijk is opgelegd en dat deze straf nog niet is omgezet. Dit blijkt uit de niet-vertaalde Poolse stukken en de verklaring van de opgeëiste persoon zoals hij die daags (in de namiddag) voor de zitting nog heeft overgelegd. Het is volgens de raadsman onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de stukken niet heeft willen vertalen noch vragen hierover heeft willen stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om hierover duidelijkheid te verkrijgen. De raadsman wijst hiertoe naar de uitspraak van 26 maart 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:3161) en verzoekt de rechtbank de hierin genoemde vragen ook in deze zaak te stellen. Een voorwaardelijke straf kan namelijk niet leiden tot overlevering.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet van belang is of er eerst een voorwaardelijke straf is opgelegd en dat dit niet in het EAB is opgenomen en wijst hiertoe naar de uitspraak van 2 april 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:2416). Daarbij merkt de officier van justitie op dat de door de raadsman aangehaalde zaak een andere casus betreft, de vragen met een ander doel zijn gesteld en niet allemaal van toepassing zijn op deze zaak.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van 2 april 2019 en ziet derhalve geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

5.Heropening van het onderzoek

De raadsman heeft in de namiddag voor de zitting de rechtbank en officier van justitie foto’s van een zestal, niet-vertaalde Poolse stukken doen toekomen. Ter zitting heeft de raadsman betoogd dat uit deze niet-vertaalde stukken zou blijken dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van één jaar is opgeschort. Op 17 februari 2020 heeft de raadsman via e-mail de rechtbank en de officier van justitie een Nederlandse vertaling van één van de stukken doen toekomen. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van deze vertaling is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. Het stuk betreft blijkens de vertaling een beslissing van 28 oktober 2019 inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde gevangenisstraf van één jaar is opgeschort.
Gelet op de inhoud van het vertaalde stuk heropent de rechtbank het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen op de inhoud van het stuk te reageren en navraag te doen bij de Poolse uitvaardigende autoriteit over de betekenis van de overgelegde stukken, namelijk over de daaruit op te maken opschorting van de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde gevangenisstraf van één jaar.
De rechtbank merkt op dat zij het betreurt dat de raadsman en de opgeëiste persoon de foto’s van de stukken van oktober 2019 eerst pas de namiddag voor de zitting aan de rechtbank hebben doen toekomen en dat deze toen niet vertaald waren naar een in de overleveringsprocedure geldende procestaal, alsmede dat een vertaling van één van de stukken pas ruim na sluiting van het onderzoek aan de rechtbank is verzonden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het aan de verdediging is om er voor zorg te dragen dat de stukken die zij wil inbrengen in de geldende procestaal zijn vertaald.
Tevens valt het de rechtbank op dat de beslissing inzake de opschorting, die van 28 oktober 2019 dateert, ruim drie maanden later pas is ingebracht, te meer nu de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon al sinds 11 september 2019 is geschorst.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te reageren op het vertaalde stuk en navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over de gestelde opschorting van de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde gevangenisstraf van één jaar.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 februari 2020.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.