Eiser, een gescheiden vader met een co-ouderschapsregeling, vroeg een urgentieverklaring aan omdat zijn huidige woonruimte, een atelier, niet leefbaar zou zijn voor hem en zijn kinderen. Het college wees de aanvraag af omdat de kinderen ook bij de moeder verblijven en er geen sprake is van dakloosheid of dreigende dakloosheid.
Eiser beriep zich op de hardheidsclausule vanwege de slechte woonsituatie, geluidsoverlast, illegale bewoning en de negatieve impact op de kinderen, waaronder concentratieproblemen en psychische behandeling. De rechtbank oordeelde dat hoewel de situatie moeilijk is, deze niet zodanig schrijnend of bijzonder is dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen.
De rechtbank concludeerde dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen op grond van het beleid dat geen urgentie wordt toegekend bij co-ouderschap als de kinderen elders onderdak hebben. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.