ECLI:NL:RBAMS:2020:1257

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
27 februari 2020
Zaaknummer
AMS - 19 _ 5019
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2.6.5 lid 1 onder b Huisvestingsverordening 2016Artikel 2.6.5 lid 1 onder c Huisvestingsverordening 2016Paragraaf 3 onder b punt 10 Beleidsregel 5Paragraaf 3 onder c punt 2 Beleidsregel 5
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem

Eiser heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat hij en zijn gezin zouden worden uitgezet uit de woning waar zij verbleven bij een familielid. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de woonsituatie van eiser op het moment van het bestreden besluit beoordeeld moet worden. Uit het dossier bleek niet dat eiser en zijn gezin toen daadwerkelijk of op korte termijn dakloos zouden worden. De situatie verslechterde pas na het besluit, waardoor het college hier geen rekening mee kon houden.

Het college mocht daarom vaststellen dat er geen urgent huisvestingsprobleem was en de aanvraag afwijzen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van griffierecht of proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem op het moment van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/5019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. S. Karami),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van den Boorn).

Procesverloop

Op 17 mei 2019 heeft het college de aanvraag van [eiser] om een urgentieverklaring afgewezen.
Op 22 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 12 februari 2020. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook waren [eiser] [de persoon 1] en hun twee kinderen aanwezig.

Overwegingen

[eiser] woonde tot 30 september 2019 met zijn vrouw en kinderen van vijf en drie jaar oud in bij zijn familielid [de persoon 2] . Op 6 februari 2019 heeft [eiser] een urgentieverklaring aangevraagd, omdat het inwonen van [eiser] gezin te druk is voor [de persoon 2] .
Het college heeft op 10 mei 2019 een onaangekondigd huisbezoek aan de woning gebracht. Bij het huisbezoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat [de persoon 2] hoofdverblijf in de woning had. Er zijn behalve één overhemd geen persoonlijke bezittingen van hem aangetroffen.
Het college heeft de aanvraag afgewezen en de afwijzing, met verbetering van de motivering, in bezwaar gehandhaafd. Volgens het college staat niet vast dat [eiser] de woning op korte termijn moet verlaten. Er is dus geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. [1] Er is volgens het college sprake van onderhuur. [2] Verder heeft [eiser] zijn gezin gesticht terwijl hij geen woning had die daarvoor geschikt is. [eiser] had het huisvestingsprobleem volgens het college dus kunnen voorkomen. [3]
4. [eiser] voert in beroep aan dat hij dakloos is. Hij heeft meermalen bij het college aangegeven dat [de persoon 2] hem en zijn kinderen op straat zou zetten. Nu heeft deze hem en zijn gezin op 30 september 2019 uit de woning gezet. [de persoon 2] heeft hoofdverblijf in de woning. [eiser] heeft vijf dagen in een hotel verbleven en verblijft nu met zijn gezin in de crisisopvang. Daar kan hij drie maanden blijven met een verlenging van maximaal drie maanden. Een en ander is onderbouwd door een verklaring van [de persoon 3] 27 september 2019, een boekingsbewijs van het hotel en stukken van de gemeente over de crisisopvang. Daarnaast betwist [eiser] dat hij een gezin heeft gesticht terwijl hij geen woning had die daarvoor geschikt is. Hij kon immers bij [de persoon 2] verblijven.
Beoordeling door de rechtbank
6. De woonsituatie van [eiser] en zijn gezin is nu anders dan op het moment waarop het college het bestreden besluit nam. De rechtbank kan dit echter niet meenemen in de beoordeling. De rechtbank moet [eiser] woonsituatie beoordelen op het moment van het bestreden besluit. De vraag is of op dat moment duidelijk was dat [eiser] met zijn gezin dakloos was of op korte termijn dakloos zou worden.
7. Uit het dossier blijkt niet dat dit zo was. In het dossier zit een telefoonnotitie uit 2016, waarin staat dat [eiser] over een urgentie heeft gebeld omdat hij met zijn gezin inwonend is in een tweekamerwoning. Bij de screening voor de aanvraag heeft [eiser] verteld hoe de woonsituatie is. [eiser] heeft gezegd dat [de persoon 2] graag zou zien dat het gezin een eigen woning vindt. In bezwaar heeft [eiser] aangegeven dat het gezien de gezondheidssituatie van [de persoon 2] niet meer mogelijk is dat hij met zijn gezin bij hem blijft wonen en dat zij uit de woning moeten vertrekken. Uit het dossier wordt de rechtbank duidelijk dat de situatie slecht is, maar niet dat [eiser] met zijn gezin daadwerkelijk zeer binnenkort dakloos zou worden. Dit is pas na het instellen van beroep gebeurd. Het college kon hier dus in het bestreden besluit geen rekening mee houden.
8. De gemachtigde van het college heeft op de zitting toegezegd dat als [eiser] een nieuwe aanvraag doet, deze snel zal worden behandeld. [eiser] maakt op dit moment een betere kans dan op het moment van de eerdere aanvraag. Daarover gaat dit beroep bij de rechtbank echter niet.
9. Het college heeft in het bestreden besluit mogen vaststellen dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en de aanvraag op die grond af kunnen wijzen.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als uw zaak spoedeisend is, kunt u de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Algemene weigeringsgrond in artikel 2.6.5, lid 1, onder b, van de Huisvestingsverordening 2016.
2.Paragraaf 3, onder b, punt 10, van Beleidsregel 5.
3.Algemene weigeringsgrond in artikel 2.6.5, lid 1, onder c, van de Huisvestingsverordening 2016 en paragraaf 3, onder c, punt 2, van Beleidsregel 5.