ECLI:NL:RBAMS:2020:1263

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 februari 2020
Publicatiedatum
27 februari 2020
Zaaknummer
13/665514-13 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van witwassen tot €42.869,54

De rechtbank Amsterdam heeft op 14 februari 2020 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie had gevorderd dat veroordeelde een bedrag van €17.442,- aan de Staat zou betalen wegens witwassen. Veroordeelde was niet aanwezig bij de terechtzitting van 31 januari 2020.

De rechtbank stelde vast dat veroordeelde door het plegen van witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Op basis van de bewijsmiddelen en het vonnis in de onderliggende strafzaak werd het voordeel geschat op €42.869,54, een hoger bedrag dan door de officier van justitie was gevorderd. De verdediging voerde aan dat onvoldoende was aangetoond dat veroordeelde zelf voordeel had genoten en dat het dossier geen ontnemingsrapport bevatte.

De rechtbank wees dit verweer af en legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van het volledige bedrag van €42.869,54 aan de Staat. Tevens bepaalde de rechtbank dat bij niet-betaling een gijzeling van maximaal 249 dagen kan worden gevorderd door de officier van justitie, zonder dat dit de betalingsverplichting opheft.

Uitkomst: Ontneming van €42.869,54 wegens witwassen en betalingsverplichting aan de Staat opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS
Parketnummer: 13/665514-13 (ontneming)
Datum uitspraak: 14 februari 2020
Tegenspraak
Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665514-13, tegen:
[veroordeelde], hierna te noemen [veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 31 januari 2020.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. R.N. Refos en door de gemachtigde raadsman van [veroordeelde] , mr. R.B.J.G. Baggen, op de zitting naar voren is gebracht. [veroordeelde] is niet ter terechtzitting verschenen.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 18 oktober 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel ter hoogte van € 17.442,-.
Gelet op de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2020 veroordeeld ter zake van het volgende strafbare feit:
Eendaadse samenloop van:
  • van het plegen van witwassen een gewoonte maken en
  • van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn geheel kan worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 17.442,-. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [veroordeelde] dit bedrag heeft witgewassen en op die manier wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat [veroordeelde] zelf voordeel heeft genoten en dat het dossier in verband hiermee geen ontnemingsrapport bevat.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 42.869,54, nu in de strafzaak bewezen is verklaard dat [veroordeelde] dit bedrag heeft witgewassen. Daarmee komt de rechtbank tot een hoger bedrag dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals in het vonnis van deze rechtbank van 14 februari 2020 in de strafzaak met parketnummer 13/665514-13 is weergegeven.

5.De verplichting tot betaling

De rechtbank zal het te ontnemen bedrag bepalen op € 42.869,54.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
€ 42.869,54.
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 42.869,54(tweeënveertigduizend achthonderdnegenenzestig euro en vierenvijftig eurocent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die bij gebreke van betaling en verhaal ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op
249 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Knol, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2020.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.