Eiser parkeerde zijn auto op 11 april 2019 op een fiscale parkeerplaats in Amsterdam en betaalde parkeerbelasting via een parkeerautomaat met een lager tarief dan voor die locatie geldt. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op omdat het betaalde bedrag onvoldoende parkeertijd dekte op het moment van controle.
Eiser voerde aan dat hij eerder in een vergelijkbare situatie in het gelijk was gesteld en dat een collega ook een naheffingsaanslag ontving die werd teruggedraaid. De rechtbank oordeelde dat eiser had moeten controleren of de gekozen parkeerautomaat geldig was voor zijn exacte parkeerlocatie en dat hij dit naliet, ondanks eerdere waarschuwingen.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende parkeerrecht had op het moment van controle en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd mondeling gedaan op 5 maart 2020 door rechter M.A. Broekhuis.