ECLI:NL:RBAMS:2020:1862
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek onvoorwaardelijke opvang voor man zonder vaste verblijfplaats tijdens coronamaatregelen
Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats verzocht om onvoorwaardelijke opvang in het kader van de coronamaatregelen. Hij had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat zijn verzoek om informatie over de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) doorstuurde naar een pilotgemeente en zijn bezwaar tegen opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) ongegrond verklaarde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en dat de man geen griffierecht hoefde te betalen vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. De voorzieningenrechter beperkte zich tot de vraag of de man in aanmerking kwam voor onvoorwaardelijke opvang. De staatssecretaris stelde dat verblijf in een VBL afhankelijk is van actieve medewerking aan vertrek uit Nederland, een voorwaarde die niet mocht worden losgelaten zonder onderbouwing.
De gemachtigde van de verzoeker had niet toegelicht waarom deze voorwaarde niet zou moeten gelden, noch waarom de huidige situatie een uitzondering rechtvaardigt. Ook was onvoldoende onderbouwd dat opvang in een VBL het besmettingsrisico met het coronavirus zou verminderen. De stelling dat vervolgopvang in de LVV niet werd aangeboden was eveneens niet gemotiveerd.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om onvoorwaardelijke opvang wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.