ECLI:NL:RBAMS:2020:2009

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
27 maart 2020
Zaaknummer
13/752294-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 maart 2020 de vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Münster. De verdachte, van Armeense nationaliteit, wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen, specifiek XTC-pillen, strafbaar gesteld onder Duits recht.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de formele eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat de identiteit van de verdachte correct is vastgesteld. Er werd geen onderzoek gedaan naar dubbele strafbaarheid omdat het feit op de lijst van bijlage 1 OLW staat, waaronder drugshandel valt. De rechtbank oordeelde dat de Duitse autoriteiten dit terecht hebben aangemerkt als een lijstfeit.

Hoewel de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, wat een weigeringsgrond kan vormen volgens artikel 13 OLW Pro, besloot de rechtbank op verzoek van de officier van justitie af te zien van deze grond. Dit vanwege het belang van een goede rechtsbedeling, het feit dat het onderzoek in Duitsland is begonnen, het bewijs daar aanwezig is en medeverdachten in Duitsland worden vervolgd.

De rechtbank stond daarom de overlevering toe en benadrukte dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De beslissing werd uitgesproken door drie rechters in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752294-19
RK nummer: 20/625
Datum uitspraak: 26 maart 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2019 door het
Amtsgericht Münster(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opbgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Armenië) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
gedetineerd in de [PI te plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Eliya, advocaat te Hengelo.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting bevestigd dat de bovenvermelde personalia juist zijn. De rechtbank stelt op basis van de informatiestaat Strafrechtsketendatabank (SKDB) van de opgeëiste persoon van 24 december 2019 en de informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 3 februari 2020 eveneens vast dat de opgeëiste persoon de Armeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het Openbaar Ministerie Münster van 4 september 2019 (referentie: 23 Gs 3976/19).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid: Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
Met betrekking tot de in het EAB door de Duitse autoriteiten genoemde ‘XTC’ en ‘XTC-pillen’ komt de rechtbank tot de volgende beoordeling. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangemerkt als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van de dubbele strafbaarheid niet geldt. Het is in beginsel aan die autoriteit om te beoordelen of dat vereiste al dan niet geldt voor feiten waarvoor overlevering wordt verzocht. Slechts in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten niet in redelijkheid heeft aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is en dat het lijstfeit in redelijkheid is aangekruist.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
In het geval de rechtbank tot dit oordeel zou komen, heeft de officier van justitie met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd:
  • het onderzoek is in Duitsland aangevangen;
  • de verdovende middelen zijn in Duitsland ingevoerd en aangetroffen;
  • het bewijs bevindt zich in Duitsland;
  • de medeverdachten zijn en/of worden in Duitsland vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft hij naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opbgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Münster(Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2020.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.