De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 februari 2020 een vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Potsdam. De opgeëiste persoon, geboren in Polen en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van diverse strafbare feiten volgens Duits recht.
De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en beoordeelde de inhoud van het EAB, waarin meerdere feiten werden genoemd, waaronder diefstal, opzetheling, overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet personenvervoer 2000, en vernieling. De rechtbank concludeerde dat aan de vereisten van dubbele strafbaarheid was voldaan en dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn.
De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege de geringe ernst van de feiten, de oude pleegdata en een openstaande Nederlandse strafzaak. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat de inhoudelijke beoordeling van de strafzaak niet aan haar is en dat een openstaande Nederlandse strafzaak geen beletsel vormt voor overlevering.
Gelet op de naleving van de wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.