ECLI:NL:RBAMS:2020:2221

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2020
Publicatiedatum
8 april 2020
Zaaknummer
8184250 CV EXPL 19-24660
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230t BWAfdeling 2B Titel 5 Boek 6 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwing en gebrekkige naleving informatieverplichtingen consument

Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van €142,00. Gedaagde partij is verstek verleend wegens niet verschijnen en niet reageren op de dagvaarding.

De kantonrechter stelt dat voor beoordeling van de vordering alle relevante feiten en stukken moeten worden overgelegd, waaronder het invullen van een informatieformulier dat verplicht is bij consumentenzaken met verstek. Eisende partij heeft dit formulier ingevuld maar onvoldoende toegelicht en onderbouwd.

Onduidelijk is wanneer de overeenkomst tot stand is gekomen. De overgelegde algemene voorwaarden dateren van 2019, wat impliceert dat de overeenkomst niet in 2019 of later is gesloten. Omdat de overeenkomst buiten verkoopruimte tot stand is gekomen, gelden de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen uit Boek 6 BW Afdeling 2B.

Eisende partij heeft niet aangetoond dat zij schriftelijk of op duurzame gegevensdrager een bevestiging van de overeenkomst heeft verstrekt zoals vereist in artikel 6:230t BW. Ook is niet duidelijk of de vordering gebaseerd is op bedingen uit de algemene voorwaarden, en zo ja, of deze bedingen onredelijk bezwarend zijn.

De kantonrechter is ambtshalve gehouden dit te onderzoeken, maar door het ontbreken van de benodigde informatie en stukken is dit onmogelijk. Daarom wordt de vordering afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden begroot op nihil.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van bewijs van naleving van wettelijke informatieverplichtingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8184250 CV EXPL 19-24660
vonnis van: 16 april 2020
fno.: 991

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

ANWB B.V.

gevestigd te 's-Gravenhage
eisende partij
gemachtigde: A. Niekus
t e g e n

[gedaagde partij]

wonende te [plaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij dagvaarding van 14 november 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van € 142,00 aan hoofdsom, met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Om de vordering te beoordelen moet de kantonrechter beschikken over de feiten en stukken die voor de beslissing in deze consumentenzaak van belang zijn. Welke feiten en stukken dat zijn, kan onder meer worden afgeleid uit de vragen van het door deze rechtbank op de website beschikbaar gestelde en in de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019 bij tussenvonnis aan repeatplayers verstrekte informatieformulier voor consumentenverstekzaken, maar volgt ook uit de wet. Alle in dat formulier gevraagde informatie moet worden verstrekt en alle daarin aangegeven stukken moeten worden overgelegd, daar waar nodig voorzien van een toelichting.
Eisende partij stelt onder meer dat de overeenkomst buiten verkoopruimte tot stand is gekomen en zij daarom het hiervoor bedoelde informatieformulier heeft ingevuld.
Geoordeeld wordt dat eisende partij niet alle voor de beoordeling van belang zijnde informatie heeft gesteld en de vordering onvoldoende heeft onderbouwd met onderliggende stukken. Ter toelichting geldt het volgende.
Onduidelijk is wanneer de overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de overgelegde versie van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden (2019) kan evenwel worden afgeleid dat de overeenkomst in - althans niet voor - het jaar 2019 tot stand is gekomen. Gevolg daarvan is dat eisende partij, nu de overeenkomst buiten verkoopruimte tot stand is gekomen, heeft te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 Burgerlijk Wetboek, waaronder de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. Eisende partij kruist op het informatieformulier bij de vraag of aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen is voldaan slechts ‘ja’, maar geeft daarbij niet de gevraagde toelichting of onderbouwing.
Voorts heeft eisende partij op grond van artikel 6:230t lid 1 en 2 BW de verplichting om de consument schriftelijk, of met dienst toestemming op een duurzame gegevensdrager, binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst een bevestiging van de overeenkomst met daarin in ieder geval alle in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie te verstrekken. De overeenkomst, dan wel de bevestiging daarvan, heeft eisende partij niet overgelegd. Indien eisende partij de exacte aan gedaagde partij toegestuurde overeenkomst of bevestiging niet meer voorhanden heeft, zoals zij stelt, dan kan een daarmee vergelijkbare of de normaal gesproken ten tijde van het aangaan van een overeenkomst toe te sturen bevestiging ook volstaan. Het gaat erom dat kan worden beoordeeld dat de in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie aan consumenten is verstrekt. Dat kan in dit geval niet, omdat daarover in het geheel niets wordt toegelicht of onderbouwd.
Eisende partij heeft verder niet gesteld of de vordering al dan niet is gebaseerd op (oneerlijke) bedingen uit de algemene voorwaarden en zo ja, welke.
De kantonrechter dient op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie (4 juni 2009, C 243/08, punt 32) en de Hoge Raad (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691) ambtshalve te onderzoeken of de vordering gebaseerd is op onredelijk bezwarende bedingen. De kantonrechter dient ook ambtshalve te onderzoeken of eisende partij, in het geval de overeenkomst op afstand of buiten verkoopruimte is gesloten na 13 juni 2014, zoals hier, heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 Burgerlijk Wetboek. Dit onderzoek wordt door het ontbreken van de hiervoor genoemde informatie en stukken onmogelijk gemaakt.
De vordering wordt daarom als zijnde onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eisende partij in de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagde partij, die tot op heden worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.