ECLI:NL:RBAMS:2020:2417
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen bevel bewaring minderjarige verdachte
De rechtbank Amsterdam behandelde het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de rechter-commissaris die de bewaring van een minderjarige verdachte beperkte tot negen dagen in plaats van de gebruikelijke veertien dagen. Na een bevel tot invrijheidstelling door het Openbaar Ministerie, dat twee dagen na de rechter-commissarisbeslissing werd uitgevaardigd, stelde het OM hoger beroep in tegen de gedeeltelijke afwijzing van de inbewaringstelling.
De verdediging voerde aan dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het ontbreken van een formele appelakte en het vertrouwensbeginsel, omdat de verdachte en zijn raadsvrouw op grond van het bevel tot invrijheidstelling mochten vertrouwen op vrijlating. De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontbreken van de appelakte het OM ontvankelijk was, maar dat het vertrouwensbeginsel zwaarder woog.
De rechtbank stelde dat het bevel tot invrijheidstelling een duidelijke toezegging vormde dat de verdachte in vrijheid zou worden gesteld, en dat het OM zich daarmee had neergelegd bij de beslissing van de rechter-commissaris. Hierdoor werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Tevens werd de behandeling van een vordering tot gevangenhouding aangehouden omdat de verdediging niet op de hoogte was gesteld en onvoldoende tijd had om zich voor te bereiden.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen het bevel tot bewaring van de minderjarige verdachte.