ECLI:NL:RBAMS:2020:2550

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2020
Publicatiedatum
12 mei 2020
Zaaknummer
AMS 19/3152
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gegrond, schadeverzoek afgewezen

Eiser kreeg op 14 maart 2019 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam. Na bezwaar werd dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser stelde daarop beroep in bij de rechtbank Amsterdam.

Tijdens de procedure gaf de heffingsambtenaar aan de naheffingsaanslag te vernietigen en het betaalde bedrag terug te betalen, inclusief het griffierecht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de bestreden uitspraak.

Eiser verzocht daarnaast om vergoeding van schade die hij had geleden door het maken van foto’s ter onderbouwing van zijn beroep, en om vergoeding van proceskosten zoals reistijd en reiskosten. De rechtbank oordeelde dat kosten in verband met een procedure niet als schade kunnen worden gevorderd op grond van artikel 8:88 Awb Pro, en dat het Besluit proceskosten bestuursrecht een exclusieve regeling geeft voor proceskostenvergoeding.

De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af en kwalificeerde het als een verzoek om proceskostenvergoeding, maar concludeerde dat de geclaimde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook de kosten voor de zitting werden niet vergoed, omdat de naheffingsaanslag al was vernietigd voordat de zitting plaatsvond. Het griffierecht van €47,- werd aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag is gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd, het schadeverzoek afgewezen en het griffierecht aan eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/3152

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft eiser op 14 maart 2019 een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [nummer] (de naheffingsaanslag) opgelegd.
In de uitspraak op bezwaar van 25 mei 2019 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft bij brief van 24 juni 2019 laten weten dat de naheffingsaanslag met [nummer] wordt vernietigd en dat het betaalde bedrag voor de naheffingsaanslag zal worden terugbetaald. De heffingsambtenaar zal het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 maart 2020. Eiser was aanwezig. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van H.C. de la Mar.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiser gronden heeft aangevoerd en gehandhaafd tegen de uitspraak op bezwaar laat de rechtbank deze buiten beschouwing. De naheffingsaanslag is immers vernietigd. Dat betekent dat het beroep gegrond is. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar op te dragen het griffierecht te vergoeden.
2. Eiser verzoekt om schadevergoeding. Doordat de heffingsambtenaar geen onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van zijn bezwaar, heeft eiser zich genoodzaakt gezien beroep in te stellen en ter ondersteuning van het beroep foto’s te maken van de situatie ter plaatse. Om die reden verzoekt eiser de heffingsambtenaar niet alleen te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, maar tevens te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade in verband met het maken van foto’s. De schade bedraagt, rekening houdende met het feit dat eisers uurtarief als zelfstandig ondernemer € 121,50 bedraagt, een totaalbedrag van € 270,54, bestaande uit drie uur verletkosten á € 84,- en reiskosten openbaar vervoer [woonplaats] naar Amsterdam van € 18,54.
Eiser heeft daarnaast op het formulier proceskosten verzocht om een vergoeding van proceskosten tot een totaalbedrag van € 352,74.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Kosten in verband met een procedure kunnen niet als schade op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gevorderd. Artikel 8:75 van Pro de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) geven namelijk een exclusieve regeling voor de vergoeding van proceskosten. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af. De rechtbank merkt de door eiser opgevoerde kosten bij zijn verzoek om schadevergoeding ambtshalve aan als verzoek om proceskostenvergoeding op grond van het Bpb. Op grond van artikel 1, aanhef en onder c en d kan een proceskostenvergoeding betrekking hebben op reis- en verblijfkosten en verletkosten. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser geclaimde kosten van tijdsverzuim voor voorbereidende handelingen en reiskosten ter onderbouwing van het beroep, niet daartoe behoren en dus niet voor vergoeding in aanmerking komen.
4. Voor zover eiser heeft verzocht om een proceskostenveroordeling met betrekking tot reis- en verletkosten ten behoeve van de zitting op 5 maart 2020, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. De heffingsambtenaar heeft ruim voor de zitting meegedeeld dat de naheffingsaanslag vernietigd wordt en aan eiser is tegemoetgekomen. Er was dan ook geen reden meer voor eiser om naar zitting te komen en daarvoor kosten te maken. Voor zover die reden erin bestond om zijn verzoek om schadevergoeding dan wel proceskostenveroordeling toe te lichten, overweegt de rechtbank dat eiser op dat punt geen gelijk krijgt. Ook daarom is er geen reden voor een proceskostenveroordeling.
5. Het beroep is gegrond. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht van
€ 47,- te vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Zoals hiervoor overwogen zijn er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden uitspraak;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.