ECLI:NL:RBAMS:2020:2659
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter wegens vermeende partijdigheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter mr. H.C. Hoogeveen, stellende dat de rechter de schijn van partijdigheid wekte door het recht op voortzetting van de mondelinge behandeling te weigeren. De zaak betrof een kort geding over de inlevering van een geleasde auto en betaling van openstaande termijnen.
De voorzieningenrechter had de mondelinge behandeling pro forma aangehouden om partijen toe te staan een minnelijke regeling te beproeven. Verzoeker wilde zijn tweede termijn mondeling voeren, maar de rechter besloot dat een schriftelijke reactie volstond. Verzoeker stelde dat dit een schending van het recht op hoor en wederhoor was en dat de rechter onvoldoende bekend was met zijn verweren.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechter onpartijdig moest worden vermoed en dat de afwijzing van het verzoek tot voortzetting van de mondelinge behandeling geen blijk gaf van vooringenomenheid. De rechter had verzoeker voldoende gelegenheid gegeven zijn standpunt schriftelijk toe te lichten en de mondelinge behandeling had ruim 1,5 uur geduurd. De zaak was spoedeisend en behoorde voortvarend te worden behandeld.
De wrakingskamer concludeerde dat geen objectieve schijn van partijdigheid bestond en dat het verzoek tot wraking daarom werd afgewezen. Tegen deze beslissing stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter is afgewezen wegens ontbreken van objectieve schijn van partijdigheid.