Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
de vennootschap naar buitenlands recht Hoist Finance AB
[gedaagde]
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
10 september 2018 € 395,33. Hoist Finance vordert tevens de overeengekomen vertragingsvergoeding daarover ad 9,50% per jaar, althans de wettelijk rente over het opgeëiste bedrag vanaf datum opeising. Tot en met 23 augustus 2019 bedraagt deze
€ 32,48. Op het totaalbedrag strekt nog in mindering een ontvangen betaling van
€ 150,00 nadat de vordering uit handen was gegeven. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Hoist Finance bij de dagvaarding de volgende stukken gevoegd: de overeenkomst Niet-doorlopend goederenkrediet, de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden en een brief waarin aan [gedaagde] wordt medegedeeld dat Santander heeft besloten de overeenkomst met [gedaagde] te beëindigen en het uitstaande krediet op te eisen.
bepaaldgoed, zoals bijvoorbeeld een televisie van een bepaald merk. De bepalingen over goederenkrediet zijn dus niet (tevens) op de overeenkomst van toepassing.
28 oktober 2016 aan [gedaagde] is verstrekt. Dat is dezelfde datum als de datum waarop de kredietovereenkomst tot stand is gekomen. Hoist Finance heeft dit niet nader toegelicht. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Santander [gedaagde] niet ‘geruime tijd’ voordat hij was gebonden aan de kredietovereenkomst, de in artikel 7:60 BW Pro bedoelde (precontractuele) informatie heeft verstrekt.