Betrokkene stelde beroep in tegen een crisismaatregel die door de burgemeester van Amsterdam was opgelegd. De rechtbank beoordeelde of de hoorplicht, zoals voorgeschreven in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), was nageleefd.
De burgemeester had betrokkene niet gehoord, met het argument dat dit vanwege Covid-19 niet mogelijk was. De rechtbank stelde vast dat de GGD, die namens de burgemeester het horen uitvoert, niet was benaderd om betrokkene te horen en dat er geen telefonisch contact was geweest met betrokkene in isolatie. De rechtbank concludeerde dat de hoorplicht niet was nagekomen en dat betrokkene ten onrechte niet was gehoord.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat betrokkene recht had op een schadevergoeding wegens de onrechtmatige crisismaatregel. De schadevergoeding werd naar billijkheid vastgesteld op €100. De gemeente Amsterdam werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.