Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2020:3146

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2020
Publicatiedatum
26 juni 2020
Zaaknummer
13/751740-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 OLWArt. 22 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening en schorsing onderzoek overlevering wegens Poolse rechtsstaat

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Radom, Polen. De verdachte wordt verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder moord en doodslag, mishandeling, wapenbezit en vernieling. Tijdens de zitting op 11 juni 2020 werd de verdachte gehoord via videoverbinding met zijn raadsman en een tolk.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde dat hij de Poolse nationaliteit bezit. De rechtbank beoordeelde de strafbaarheid van de feiten en stelde vast dat het EAB voldoet aan de voorwaarden van de Overleveringswet, waaronder de dubbele strafbaarheid voor bepaalde feiten. Het onschuldverweer van de verdachte werd verworpen wegens gebrek aan bewijs.

De raadsman voerde een gelijkstellingsverweer aan op grond van langdurig verblijf en werk in Nederland, maar de rechtbank concludeerde dat niet was aangetoond dat de verdachte over een duurzaam verblijfsrecht beschikt. De rechtbank verwees tevens naar het Handvest van de grondrechten van de EU en stelde vast dat er geen algemeen risico is op schending van artikel 4 bij Pro levenslange gevangenisstraf in Polen.

Vanwege recente ontwikkelingen rond de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen, in afwachting van antwoorden op vragen gesteld in een andere zaak. De verdachte en een tolk worden op een later tijdstip opnieuw opgeroepen.

Uitkomst: Het onderzoek naar de overlevering wordt heropend en voor onbepaalde tijd geschorst vanwege zorgen over de Poolse rechtsstaat.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751740-19
RK nummer: 20/1722
Datum uitspraak: 25 juni 2020
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 maart 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 april 2019 door de
Regional Court in Radom(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie te plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 juni 2020. Het verhoor heeft via videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Onder verwijzing naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729) waarin is geoordeeld dat het mogelijk is om iemand langer dan de 90 dagentermijn gedetineerd te houden, is het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afgewezen wegens het bestaan van zeer groot vluchtgevaar.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
decision of the District Court in Radom of 30 January 2017 in case no. II Kp 334/16.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

4.1.
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van
feit 1waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.2.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de
feiten 2 tot en met 4niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
feit 2:
mishandeling;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of vuurwapen van categorie III;
feit 4:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6.Artikel 6, tweede lid, in samenhang met het vijfde lid, OLW

6.1.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hiertoe is aangevoerd dat de opgeëiste persoon meer dan vijf jaar onafgebroken in Nederland woont en werkt en rechtmatig verblijf heeft gehad. Ter onderbouwing heeft de raadsman op voorhand stukken aan de rechtbank overgelegd, waaronder inkomensverklaringen van de Belastingdienst over de jaren 2016 tot en met 2019 en een inschrijving in de Basisregistratie Personen van de gemeente [gemeente].
6.2.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:
bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
Ad 1.
Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:
  • een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger wordt gelijkgesteld met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
  • een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook door het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Op basis van de door de raadsman overgelegde stukken kan niet worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon over een duurzaam verblijfsrecht beschikt.
De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij meer dan vijf jaar in Nederland woont en werkt. In het Unierecht is een werknemer iemand die reële en daadwerkelijke arbeid verricht die niet louter marginaal en bijkomstig is. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50 procent van de toepasselijke bijstandsnorm, naar blijkt uit het door de Immigratie- en Naturalisatiedienst gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000).
Door de verdediging zijn stukken overgelegd ter onderbouwing van het inkomen in de jaren 2016 tot en met 2019. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar een inkomen van minimaal 50 procent van de bijstandsnorm heeft genoten. Evenmin zijn stukken overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Een inschrijving in de Basisregistratie Personen is in beginsel leidend om het verblijf in Nederland aan te tonen. Uit de Informatiestaat SKDB-persoon volgt dat de opgeëiste persoon in de periode van 28 juni 2012 tot 5 juli 2018 niet ingeschreven heeft gestaan in dit register. Andere stukken die zijn verblijf in Nederland onderbouwen, zijn niet overgelegd.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar aan de materiële voorwaarden voor een duurzaam verblijfsrecht heeft voldaan.
Gelet op deze conclusie komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige in het kader van het gelijkstellingsverweer aangevoerde standpunten.

7.Artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Uit onderdeel c) van het EAB volgt dat voor
feit 1waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht, mogelijk een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd.
De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 26 november 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:8508) waarin zij – kort gezegd – heeft geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen risico dat opgeëiste personen die in Polen tot een levenslange gevangenisstraf worden veroordeeld, het risico lopen op een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Gebleken is namelijk dat in Polen een wettelijke mogelijkheid bestaat om na vijfentwintig jaar te verzoeken om een vervroegde invrijheidsstelling.
Uit de e-mail van de
Regional Court in Radomvan 10 juni 2020 volgt dat deze procedure tot op heden bestaat.
8.
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: heropening van het onderzoek
Na sluiting van het onderzoek in onderhavige zaak heeft deze rechtbank op 12 juni 2020 in een andere zaak een tussenuitspraak gewezen (ECLI:NL:RBAMS:2020:2938). In deze tussenuitspraak is de officier van justitie verzocht een aantal vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen die – kort gezegd – betrekking hebben op de recente ontwikkelingen met betrekking tot de Poolse rechtsstaat en in het verlengde daarvan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen.
De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van die vragen ook in onderhavige zaak relevant is. De rechtbank zal derhalve het onderzoek ter zitting heropenen en voor onbepaalde tijd aanhouden, teneinde de beantwoording van de in voornoemde zaak gestelde vragen af te wachten.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

9.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de antwoorden op de gestelde vragen in voornoemde tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2020:2938) af te wachten;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk Pools tegen voornoemd nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. H.J. Fehmers, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juni 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.