Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek tijdens de zitting
13, 14 en 15 mei 2020.
2.Wat is de verdenking?
3.Waar gaat deze zaak over?
4.Samenvatting van de beslissingen van de rechtbank in alle zaken
5.Wat kan de rechtbank in deze zaak bewijzen?
Het verschaffen van duidelijkheid over de exacte ligging van ondergrondse gasleidingen die onder zijn beheer vallen. Dit door middel van het verstrekken van kaarten en tekeningen van de gasleidingen aan de Dienst Kabels en Leidingen Informatiecentrum (klic) van het Kadaster.
En het aannemen en afhandelen van een gasmelding, in deze zaak het gaslek. Hieronder vallen het beoordelen van de melding, het maken van een juiste risico-inschatting door toepassing van het uitvraagscript en het eventueel sturen van een monteur naar de locatie van de gasmelding.
Verdachte wordt verweten dat hij niet aanwezig was bij het nuts-overleg. Dit verwijt is onterecht. Verdachte was in december 2015 niet de netbeheerder van de gasleidingen. Hij is pas per 1 januari 2016 de netbeheerder geworden. Ten tijde van het nuts-overleg was Enexis de verantwoordelijke netbeheerder. Het klopt dat verdachte niet aanwezig was bij het nuts-overleg, maar hij hoefde dat ook niet te zijn omdat hij op dat moment niet de netbeheerder van de gasleidingen in Urk was.
Volgens het ‘Gaslucht – Uitvraagscript’ is voor het verschil tussen een ‘zeer urgente storing’ en een ‘zeer urgente storing met brandweer’ onder meer bepalend of het gaslek zich in een niet te ventileren ruimte bevindt dan wel in/bij een kwetsbare locatie zoals een winkel-/ drukke straat, hoogbouw of school. Alleen als dit het geval is, wordt een gasmelding aangemerkt als ‘zeer urgente storing met brandweer’. Als de gasmelding was beoordeeld naar de oorspronkelijk situatie, dan was wel sprake geweest van een sterke gasuitstroom, maar kon de locatie goed geventileerd worden. Het gaslek bevond zich tenslotte buiten op straat en niet in/bij een kwetsbare locatie. Op basis van het ‘Gaslucht – Uitvraagscript’ had de gasmelding dus niet anders beoordeeld kunnen worden dan als ‘zeer urgente storing’.
Hoewel de intakemedewerker niet het ‘Gaslucht – Uitvraagscript’ en het ‘Intakescript storingsmelding GAS’ volledig heeft doorlopen en alle vragen heeft gesteld en de gasmelding niet heeft beoordeeld op basis van de oorspronkelijke situatie, kan aan verdachte op dit punt geen verwijt worden gemaakt. Ook al had de intakemedewerker dit alles wel gedaan, dan nog was volgens beide scripts de gasmelding hetzelfde beoordeeld, was tot dezelfde risico-inschatting gekomen en had de brandweer (volgens de scripts) niet ingeschakeld hoeven worden. Verdachte had volgens beide scripts alleen de plicht om direct een monteur naar de locatie te sturen en aan [medeverdachte 2] opdracht te geven om mensen op afstand te houden. Verdachte heeft aan beide plichten voldaan, waardoor aan hem ook op dit punt geen verwijt kan worden gemaakt.
NFI-deskundige, F.W.N. van Rijswijk, heeft geconcludeerd dat het niet zeker is of het inschakelen van de brandweer de ontploffingen en brand had kunnen voorkomen. Hij schrijft: “
Met betrekking tot het stoppen van de gasuitstroom zijn de mogelijkheden van de brandweer beperkt. Bij een beschadiging van een gasleiding in de grond is geen hoofdkraan voorhanden, ook niet voor de netbeheerders. Er rest niets anders dan wachten totdat de netbeheerder aan weerszijden en op veilige afstand de gasleiding heeft vrijgegraven en er een ballon in heeft geplaatst om de gastoevoer af te sluiten. Wat het stoppen van de gasuitstroom betreft, zou het eerder inschakelen van de brandweer dus niets hebben uitgemaakt.” Het niet direct na de melding inschakelen van de brandweer is dus geen noodzakelijke factor geweest voor het intreden van het gevolg, namelijk de ontploffingen en de brand.
6.Ten aanzien van de benadeelde partijen
7.Beslissing
[verdachte], daarvan vrij.