ECLI:NL:RBAMS:2020:3215
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwing in consumentenzaak
Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van €902,36, gebaseerd op geleverde zaken en een factuur van april 2019. Gedaagde is niet verschenen en verstek is verleend. De kantonrechter stelt dat eisende partij niet alle voor de beoordeling relevante informatie en stukken heeft overgelegd, zoals de overeenkomst, algemene voorwaarden en factuur.
De dagvaarding vermeldde niet op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en of de vordering gebaseerd is op algemene voorwaarden, noch is toegelicht waarom eventuele bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van richtlijn 93/13. Hierdoor kan de kantonrechter niet ambtshalve toetsen of er sprake is van oneerlijke bedingen of of voldaan is aan wettelijke informatieverplichtingen uit Boek 6 BW.
Omdat eisende partij niet voldeed aan de stelplicht en de vereisten van artikel 21 en Pro 111 Rv, wordt de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil aan de zijde van gedaagde.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het niet overleggen van relevante stukken.