Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Waardering van het bewijs
een kwestie over geld. [persoon 1] heeft het door haar geleende geld teruggegeven via de vader van verdachte. Vanaf dat moment had verdachte geen enkele rechtsgeldige reden meer om contact met [persoon 1] op te nemen en had hij ervan doordrongen moeten zijn dat zij geen contact met hem wenste. Desondanks ging verdachte door met zijn belastende gedrag. Verdachte heeft hierdoor opzettelijk wederrechtelijk stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] , met het oogmerk om haar te dwingen contact met hem te dulden.
Het bewijs voor de gedragingen steunt in de kern enkel op de verklaring van [persoon 1] . Er zijn ook getuigenverklaringen maar geen van die getuigen verklaart dat zij de verweten gedragingen daadwerkelijk hebben gezien. De gedragingen die zich hebben afgespeeld voor de ten laste gelegde periode dienen buiten beschouwing te worden gelaten. Daar komt bij dat een deel van de ten laste gelegde gedragingen niet kan worden gekwalificeerd als belaging, omdat de gedragingen er niet toe strekken om iemand te laten dulden contact te ondergaan. Verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde belaging van [persoon 1] .
In de periode van 12 augustus 2019 tot en met 23 augustus 2019 heeft zij verdachte meermalen door haar straat zien rijden, waarbij verdachte vaak luide muziek draaide in zijn auto. Ook heeft zij een roos onder de ruitenwisser van haar auto aangetroffen en een pornografische kaart in haar brievenbus ontvangen met daarop een telefoonnummer en de tekst ‘bel mij alsjeblieft’. Aangeefster vermoedde dat verdachte dit deed omdat zij geld van hem had geleend wat zij nog niet aan hem had terugbetaald. Zij heeft geprobeerd het geld aan hem te geven, maar verdachte wilde dit niet aannemen. Aangeefster heeft het geld vervolgens op 25 augustus 2019 naar de vader van verdachte gebracht. Desondanks reed verdachte op 30 en 31 augustus 2019 wederom langs, waarna aangeefster aangifte heeft gedaan van belaging. Verdachte is op 1 september 2019 aangehouden, waarna hij is heengezonden en de aangifte is geseponeerd.
Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de verklaringen van de buurtbewoners, die verklaren dat zij met grote regelmaat een Surinaams uitziende man (’s nachts) door de straat hebben zien rijden. De verklaring van aangeefster dat verdachte haar voordeur heeft bespoten met rode verf, wordt ondersteund door de verklaring van aangeefster [persoon 2] (feit 2) dat zij verdachte diezelfde nacht heeft gezien op de camera van de flat waar zij woont, waarna zij zag dat het beeld van de camera zwart werd en later die ochtend zag dat de camera rood gespoten was met verf. Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, maken dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat het verdachte is geweest die deze ten laste gelegde gedragingen heeft begaan. Voor zover aan het standpunt van de raadsvrouw de opvatting ten grondslag ligt dat elke in de tenlastelegging opgenomen gedraging gesteund zouden moeten worden met meer dan één bewijsmiddel, merkt de rechtbank op dat die opvatting geen steun vindt in het recht.
Verdachte heeft door zijn handelen opzettelijk een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Aangeefster heeft in haar aangiftes telkens aangegeven dat de gedragingen van verdachte haar zeer angstig maken, dat zij erg emotioneel is, dat zij snel schrikt, slecht slaapt en zich niet veilig voelt in haar eigen huis. Verdachte heeft op een indringende wijze geprobeerd om direct of indirect met aangeefster in contact te komen, terwijl hij wist dat zij dit niet wenste. Immers, aangeefster heeft voor de eerste keer op 1 september 2019 aangifte gedaan van belaging en verdachte is daar diezelfde dag door de politie voor aangehouden. Verdachte had door zijn handelen het oogmerk om aangeefster te dwingen te dulden dat hij met haar in contact kwam. Anders dan door de verdediging betoogd, is de rechtbank van oordeel dat daarbij juist ook gedragingen die niet op het zoeken van direct contact gericht zijn, wel bij kunnen dragen aan de verweten belaging, omdat verdachte zich daarmee steeds opnieuw opdrong aan aangeefster, die juist een leven zonder verdachte wilde leiden.
De rechtbank stelt daarbij vast dat verdachte een aantal keer spullen heeft langsgebracht op verzoek van de dochter van aangeefster, zodat dit handelen van verdachte niet (telkens) wederrechtelijk kan worden geacht. Hoewel verdachte ten aanzien van de overige bewezen geachte gedragingen wel wederrechtelijk heeft gehandeld tegenover aangeefster, kan dit handelen naar het oordeel van de rechtbank niet als belaging worden aangemerkt, omdat dit handelen niet met een zodanige frequentie en intensiteit plaatsvond dat van stelselmatig handelen kan worden gesproken.
4.Bewezenverklaring
5.Het bewijs
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straf en maatregel
- een meldplicht bij de reclassering en het houden aan aanwijzingen, voor zover en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- ambulante behandeling bij Cumulushome of een soortgelijke instelling, voor zover en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- een contactverbod, zowel direct als indirect, met aangeefsters [persoon 1] en [persoon 2] ;
- een gebiedsverbod voor de wijk [naam wijk] te Amsterdam.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde zich belastend zal gedragen jegens [persoon 1] beveelt de rechtbank dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Dit is in een separaat proces-verbaal vastgelegd.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstrafvan
4 (vier) maanden.
1 (één) jaarzich
nietzal
ophoudenbinnen een straal van 100 meter van het adres: [adres 2] .
1 (één) jaarop
geenenkele wijze - direct of indirect -
contactzal opnemen, zoeken of hebben met [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 1971 te [geboorteplaats 2], wonende op het adres [adres 2] .
vervangende hechteniszal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
(2) twee wekenvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van een half jaar.
dadelijk uitvoerbaaris.