ECLI:NL:RBAMS:2020:340

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 januari 2020
Publicatiedatum
22 januari 2020
Zaaknummer
<8117824 \ CV EXPL 19-21814>
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 476a RvArt. 476b RvArt. 477a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling op grond van niet-verklaard derdenbeslag

De Kweker had een vonnis tegen Sasalin verkregen en legde daarop derdenbeslag onder Hamdi. De Kweker vorderde betaling van Hamdi wegens het niet doen van een verklaring derdenbeslag zoals vereist in artikel 476a Rv. Hamdi stelde dat zij de verklaring wel had gestuurd en overhandigde een ingevulde verklaring waarin zij verklaarde geen rechtsverhouding met Sasalin te hebben.

De Kweker betwistte de verklaring en stelde dat Hamdi wel degelijk een vordering op Sasalin had, maar faalde in het overleggen van bewijsstukken zoals bankafschriften. De rechtbank oordeelde dat de stelplicht en bewijslast bij De Kweker lagen en dat het enkele feit dat Hamdi betalingen aan Sasalin zou hebben gedaan niet automatisch een rechtsverhouding impliceert.

Omdat De Kweker geen feiten of omstandigheden had gesteld die een rechtsverhouding aannemelijk maakten, werd haar vordering afgewezen. De Kweker werd veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van Hamdi nihil werden begroot.

Uitkomst: De vordering van De Kweker tegen Hamdi wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een rechtsverhouding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer \ rolnummer: 8117824 CV EXPL 19-21814
Uitspraak: 31 januari 2020
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEVENSMIDDELENGROOTHANDEL “DE KWEKER” B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde [gemachtigde eiseres] ,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HAMDI FINANCIEEL ADVIES B.V.
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
procederend bij [functie] [vertegenwoordiger gedaagde] .
Partijen worden hierna aangeduid als De Kweker en Hamdi.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 oktober 2019, met producties,
  • het proces-verbaal van mondeling antwoord van 24 oktober 2019, met producties,
  • het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 7 november 2019, waarin de zaak is verwezen naar repliek,
  • de conclusie van repliek,
  • de aan Hamdi verleende akte niet-dienen van conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In een procedure tussen De Kweker en Sasalin Kalverstraat B.V. (hierna: Sasalin) heeft de kantonrechter van deze rechtbank Sasalin op 13 februari 2018 bij verstek veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 6.826,83 - vermeerderd met rente en kosten (hierna: het vonnis).
2.2.
Op 14 maart 2018 heeft De Kweker het vonnis aan Sasalin betekend en Sasalin bevolen om binnen twee dagen aan de veroordelingen in het vonnis te voldoen. Sasalin heeft daaraan geen gehoor gegeven.
2.3.
Vervolgens heeft De Kweker ten laste van Sasalin executoriaal derdenbeslag gelegd onder Hamdi.

3.Het geschil

3.1.
De Kweker vordert dat Hamdi bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van € 11.263,92, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
De Kweker stelt daartoe - kort gezegd - dat Hamdi in gebreke is gebleven in het doen van een verklaring derdenbeslag (hierna: de verklaring) als bedoeld in artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Als gevolg van het ontbreken van de verklaring vordert De Kweker op grond van artikel 477a Rv in deze procedure dat Hamdi zal worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd, als ware Hamdi daarvan zelf de schuldenaar.
3.3.
Hamdi voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is een geschil gerezen over de verklaring derdenbeslag. De Kweker heeft gesteld dat Hamdi de verklaring nimmer heeft gestuurd, terwijl Hamdi heeft aangevoerd dat de verklaring wel is verstuurd, maar dat deze De Kweker blijkbaar, om onbekende redenen, niet heeft bereikt.
4.2.
Wat hier verder ook van zij, een beslissing op dit punt is niet ter zake dienend, nu het Hamdi op grond van artikel 477a lid 1 Rv is toegestaan alsnog een gerechtelijke verklaring te doen en Hamdi dat bij mondeling antwoord ook heeft gedaan. Door Hamdi is een ingevulde verklaring derdenbeslag overgelegd waarin wordt verklaard dat tussen Sasalin en Hamdi geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan Sasalin op het tijdstip van het beslag nog iets van Hamdi had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.
4.3.
De Kweker heeft de door Hamdi overgelegde verklaring betwist, omdat De Kweker twijfelt aan de inhoud van de verklaring en de verklaring niet met redenen is omkleed of is vergezeld van tot staving dienende bescheiden.
4.4.
Voorop wordt gesteld dat Hamdi haar verklaring ingevolge de artikelen 476a lid 2 en 476b Rv zoveel mogelijk dient te staven met gegevens en bescheiden. Dat betekent echter niet dat Hamdi in deze (betwistings)procedure de bewijslast heeft. De stelplicht en de bewijslast rust bij De Kweker nu zij aanvoert dat - in weerwil van de verklaring - Hamdi wel degelijk een vordering heeft op Sasalin.
4.5.
De Kweker heeft bij conclusie van repliek gesteld dat zij in het bezit is van bankafschriften waaruit zou blijken dat Hamdi Sasalin meermaals heeft betaald. De Kweker heeft echter nagelaten deze bankafschriften te overleggen - hetgeen wel op haar weg had gelegen. Daarnaast brengt de omstandigheid dat Hamdi betalingen aan Sasalin zou hebben verricht nog niet automatisch mee dat er tussen Hamdi en Sasalin een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan Sasalin op het tijdstip van het beslag nog iets van Hamdi had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.
4.6.
Nu De Kweker heeft nagelaten feiten en/of omstandigheden te stellen die de conclusie rechtvaardigen er tussen Hamdi en Sasalin een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan Sasalin op het tijdstip van het beslag nog iets van Hamdi had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen, zal - gelet op de onder 4.4 genoemde bewijslastverdeling - de vordering worden afgewezen.
4.7.
De Kweker zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Hamdi tot op heden begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt De Kweker in de proceskosten, aan de zijde van Hamdi tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A.H.E. van der Pol, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. Goris, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.
De griffier De kantonrechter