De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 juli 2020 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen. De verdachte werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, witwassen en informaticacriminaliteit.
De rechtbank stelde de identiteit van de verdachte vast en bevestigde zijn Nederlandse nationaliteit. De strafbare feiten zijn opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. De Belgische autoriteiten gaven de garantie dat, indien de verdachte tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze in Nederland zal ondergaan.
Hoewel de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, wat een weigeringsgrond kan vormen, heeft de officier van justitie verzocht hiervan af te zien. De rechtbank oordeelde dat de overlevering in het belang van een goede rechtsbedeling is, mede vanwege het feit dat het onderzoek in België is gestart en medeverdachten daar worden vervolgd.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen andere weigeringsgronden bestaan. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.