AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onbevoegdheidsincident en doorverwijzing in zaak over afwikkeling huwelijksgemeenschap
In deze zaak vordert eiser betaling van een bedrag uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap met zijn ex-partner, die onder curatele is gesteld waarbij ZFZ als curator is benoemd. ZFZ voert verweer en stelt een tegenvordering in. In een incident vordert ZFZ dat de kantonrechter zich relatief onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank Noord-Holland, stellende dat de woonplaats van de onder curatele gestelde bepalend is.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 1:12 lid 1 BWPro de woonplaats van de curator geldt als afgeleide woonplaats voor de relatieve bevoegdheid. De uitzonderingsregel van lid 4 is niet van toepassing omdat het geschil niet ziet op rechterlijk toezicht maar op afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. ZFZ is gevestigd te Almere, zodat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, bevoegd is.
De kantonrechter wijst de vordering van ZFZ tot onbevoegdheid ten aanzien van de rechtbank Noord-Holland af, verklaart zich ambtshalve onbevoegd en verwijst de zaak door naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich relatief onbevoegd en verwijst de zaak door naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: 8389931 CV EXPL 20-4744
Vonnis van de kantonrechter in incident van 31 juli 2020
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
verweerder in het incident,
gemachtigde: mr. P.A. Schippers,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Zeker Financiële Zorgverlening B.V. Q.Q.,
gevestigd te Almere,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
eiseres in het incident,
gemachtigde: mr. A.W. Hoogland.
Partijen zullen hierna [eiser] en ZFZ genoemd worden.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 maart 2020, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens inhoudende preliminair verweer tot onbevoegdheid en eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
2.Feiten en omstandigheden, voor zover relevant in het incident
2.1.
[eiser] is op 10 oktober 2003 gehuwd met mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ). Op 2 september 2010 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.
2.2.
[betrokkene] is op 15 september 2017 onder bewind gesteld door de rechtbank Noord-Holland, waarbij ZFZ als bewindvoerder is benoemd.
2.3.
Op 13 maart 2019 is [betrokkene] door dezelfde rechtbank onder curatele gesteld, waarbij ZFZ als curator is benoemd.
3.In de hoofdzaak
3.1.
[eiser] vordert - kort samengevat - dat ZFZ wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.460,84 vermeerderd met rente en kosten, uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap die tussen [eiser] en [betrokkene] heeft bestaan.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [betrokkene] nimmer haar medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de tussen partijen overeengekomen verdeling van de huwelijksgemeenschap. Nu [betrokkene] onder bewind en onder curatele is gesteld, vordert [eiser] betaling van diens bewindvoerder c.q. curator ZFZ.
3.3.
ZFZ voert verweer tegen de vordering. Daarnaast vordert ZFZ in reconventie dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.580,00, vermeerderd met rente en kosten, met betrekking tot - kort gezegd - ten onrechte door [eiser] ontvangen huurpenningen.
4.Het geschil in het incident
4.1.
ZFZ vordert dat de kantonrechter zich relatief onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen en de zaak verwijst naar de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
ZFZ stelt dat [betrokkene] woonachtig is te [woonplaats] , gelegen in het arrondissement van de rechtbank Noord-Holland, zodat op grond van artikel 1:12 lid 4 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechtbank Noord-Holland relatief bevoegd is.
4.3.
[eiser] voert verweer. [eiser] voert aan dat in geval van curatele of beschermingsbewind de hoofdregel van artikel 1:12 lid 1 enPro 2 BW blijft gelden en de uitzonderingsregel van artikel 1:12 lid 4 BWPro niet opgaat. Ingevolge artikel 1:12 lid 1 enPro lid 2 BW volgt de onder curatele gestelde of de onder beschermingsbewind gestelde de woonplaats van de curator respectievelijk de beschermingsbewindvoerder.
4.4.
[eiser] stelt daarnaast dat hij heeft opgemerkt dat ZFZ haar zetel heeft te Almere, zodat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, afdeling kanton, bevoegd is van het geschil kennis te nemen en niet de rechtbank Amsterdam, zodat er grond is voor een ambtshalve verwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, afdeling kanton.
5.De beoordeling
In het incident
5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 266 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een regel bevat omtrent relatieve bevoegdheid in zaken betreffende curatele, beschermingsbewind of mentorschap. In procedures waarin tot ondercuratelestelling wordt verzocht is relatief bevoegd de rechter van de woonplaats van degene wiens curatele het betreft. Is een van de genoemde beschermingsfiguren eenmaal ingesteld, dan is voor alle zaken betreffende curatele, onderbewindstelling en mentorschap relatief bevoegd is de rechter van de woonplaats van de curator, bewindvoerder respectievelijk mentor (de zogenoemde afgeleide woonplaats ingevolge artikel 1:12 lid 1 totPro en met 3 BW).
5.2.
Op de regel van afgeleide woonplaats is sinds 1 mei 2007 een uitzondering gemaakt door invoering van artikel 1:12 lid 4 BWPro. Dit artikellid bepaalt dat artikel 1:12 lid 1 totPro en met 3 BW niet van toepassing is voor zover het betreft de relatieve bevoegdheid van de rechter gedurende een curatele, een beschermingsbewind en een mentorschap.
5.3.
In de Memorie van Toelichting bij de laatste wijziging van artikel 1:12 BWPro valt hierover te lezen: “ De redactie van het nieuwe vierde lid van artikel 12 houdtPro er rekening mee dat voor aangelegenheden die niet van doen hebben met het rechterlijk toezicht en rechterlijke beslissingen gedurende de beschermingsmaatregel, de afhankelijke woonplaats van de curator, bewindvoerder en de mentor overeenkomstig de hoofdregel van artikel 12 blijftPro gelden.”
5.4.
Het geschil in de hoofdzaak betreft de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap tussen partijen en gaat niet om het rechterlijk toezicht op het bewind/curatorschap of rechterlijke taken in dat toezicht. De uitzonderingsregel in artikel 1:12 lid 4 BWPro is dan niet van toepassing. De regel van de afgeleide woonplaats in artikel 1:12 lid 1 BWPro blijft gelden, zodat de woonplaats van de curator de relatieve bevoegdheid bepaalt. Aangezien ZFZ is gezeteld te Almere is relatief bevoegd de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere.
5.5.
Nu ZFZ heeft gevorderd dat de kantonrechter zich relatief onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen en de zaak dient door te verwijzen naar de rechtbank Noord-Holland, zal deze incidentele vordering worden afgewezen.
In de hoofdzaak
5.6.
Gelet op de conclusie in rechtsoverweging 5.4 dient de kantonrechter zich op grond van artikel 270 RvPro ambtshalve onbevoegd te verklaren. Deze zaak zal, in de stand waarin deze zich bevindt, worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere.
Proceskosten in het incident
5.7.
Omdat het incident niet voor niets is ingesteld en gelet op het feit dat deze zaak voortvloeit uit de gewezen relatie tussen [eiser] en [betrokkene] , zal de kantonrechter de proceskosten in het incident compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
6.De beslissing
De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst het gevorderde af,
6.2.
compenseert de kosten van dit incident, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
6.3.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt, kantonrechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2020.