Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechterkort geding
Stichting Ymere
1. [gedaagde sub 1]
2. [gedaagde sub 2]
3. [gedaagde sub 3]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Uitgangspunten
[gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 3] ” gevestigd te [adres] , ingeschreven in het handelsregister van de kamer van Koophandel onder nummer [nummer] en rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [gedaagde sub 2] geboren te Amsterdam, op [geboortedatum] en, per 20 april 2010 als huurder alle rechten en plichten voortvloeiende uit de huurovereenkomst d.d. 1 januari 1990 samen met de heer [gedaagde sub 3] op zich neemt. Beide huurders zijn hoofdelijk aansprakelijk (…)”De allonge is namens Ymere ondertekend door mevrouw [naam 3] .
Vordering en verweer
Beoordeling
- het feitelijke gebruik dat hij van het gehuurde maakt, te weten als werkplaats en annexe “winkelruimte”, welke ruimte ook door klanten kan worden betreden;
- dat Ymere van het daadwerkelijk feitelijke gebruik van het gehuurde als artikel 7:290 BW Pro ruimte op de hoogte was, gezien het feit dat het bedrijfsplan destijds met de vertegenwoordigster van Ymere (mw. [naam 3] ) is besproken, welke vertegenwoordigster daarmee heeft ingestemd, ondanks dat deze instemming geen vertaling heeft gevonden in de destijds opgestelde allonge;
- Ymere ook het feit van het gebruik als werkplaats/winkel op de hoogte was omdat sinds 2010 een groot aantal keer door Ymere reparaties en andere werkzaamheden aan het gehuurde zijn uitgevoerd, waaronder de reparatie van een lekkage en het vernieuwen van het plafond, waarbij voor de betrokken werknemers van Ymere de aard van de in de ruimte uitgevoerde activiteit zonneklaar moet zijn geweest en deze kennis aan Ymere is toe te rekenen.