ECLI:NL:RBAMS:2020:4201

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2020
Publicatiedatum
26 augustus 2020
Zaaknummer
13/195797-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 1 onder c Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 67 lid 1 Wetboek van StrafvorderingArt. 311 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring bezwaarschrift tegen DNA-afname minderjarige veroordeelde wegens disproportionaliteit

Een minderjarige veroordeelde werd door de kinderrechter veroordeeld tot een leerstraf van 40 uur wegens diefstal door twee of meer verenigde personen. Op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden werd een bevel tot afname van DNA-celmateriaal gegeven. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze afname en opname in de DNA-databank, stellende dat er geen sprake was van recidivegevaar en dat de maatregel disproportioneel was gezien zijn minderjarige leeftijd en positieve ontwikkeling.

De officier van justitie stelde het bezwaarschrift ongegrond, verwijzend naar het feit dat de leerstraf 40 uur bedroeg en dat de Raad voor de Kinderbescherming het recidivegevaar hoog inschatte. De rechtbank oordeelde echter dat, hoewel het bevel aan de wettelijke eisen voldeed, bijzondere omstandigheden zoals de minderjarige leeftijd, het geringe recidivegevaar en de positieve gedragsontwikkeling van de veroordeelde een uitzondering rechtvaardigen.

De rechtbank overwoog dat de DNA-afname een inbreuk maakt op het recht op privacy en lichamelijke integriteit, maar dat deze inbreuk in principe gerechtvaardigd is. In dit concrete geval was de inbreuk echter evident disproportioneel. Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaarschrift gegrond en beval zij de vernietiging van het afgenomen celmateriaal. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal wordt vernietigd.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/195797-19
RK: 19/7111
Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsman,
mr. M.H.H. Meulemeesters, [adres] ,
veroordeelde.

1.Het procesverloop

Het bezwaarschrift is op 17 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De officier van justitie heeft voorafgaande aan de zitting haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De raadsman heeft op 9 juli 2020 per e-mail te kennen gegeven dat zowel hij als veroordeelde niet zullen verschenen op de zitting van 16 juli 2020 en dat de zaak op basis van de stukken kan worden afgedaan.

2.Inhoud van het bezwaarschrift en het standpunt van de veroordeelde

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank.
Het bezwaarschrift houdt, kort samengevat, het volgende in:
Allereerst is geen sprake van recidivegevaar, nu veroordeelde geen andere zaken op zijn documentatie heeft staan. Daarnaast is een verplichte afname van DNA-materiaal bij minderjarigen niet proportioneel. Bovendien kan het niet zo zijn dat een minderjarige in een nadeliger positie komt dan meerderjarigen waarbij volgens de oriëntatiepunten geldboetes worden opgelegd voor soortgelijke feiten, waarbij aan hen geen afname van celmateriaal wordt gevraagd. Daarnaast is van belang dat afname van het celmateriaal inbreuk maakt op de rechten van de mens. Voor beoordeling van de noodzakelijkheid van deze inbreuk is een individuele beoordeling vereist, waardoor de rechtbank dient te beoordelen of de toepassing van de Wet in dit geval geen schending van het EVRM oplevert.
De raadsman heeft in raadkamer ter aanvulling op het bezwaarschrift gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2020 en nogmaals benadrukt dat van recidivegevaar geen sprake is. Veroordeelde heeft een fout begaan maar is nu op de goede weg.
Veroordeelde heeft toegelicht hoe het traject na zijn veroordeling in oktober 2019 is verlopen. Kort samengevat verklaard hij dat het goed gaat, dat hij de leerstraf heeft afgerond, vervolgens van een gesloten instelling naar begeleid wonen is gegaan en de volgende stap is zelfstandig wonen, hetgeen eind dit jaar zal plaatsvinden.

3.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. In de onderhavige zaak is aan de (minderjarige) veroordeelde een leerstraf is opgelegd van 40 uur. In beginsel wordt er dan DNA afgenomen. In het onderhavige geval is er geen sprake van een evident disproportionele afname, daarvan is slechts sprake indien er minder dan 40 uur wordt opgelegd. Daarnaast speelt ook een rol dat het recidive gevaar als hoog wordt ingeschat door de Raad voor de Kinderbescherming. Gelet op bovenstaande is de afname van DNA in deze zaak niet disproportioneel.

4.De beoordeling

4.1.
Ontvankelijkheid bezwaarschrift en rechtmatigheid bevel
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Bij bevel van 22 november 2019 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel.
Op 4 december 2019 is het celmateriaal van veroordeelde afgenomen. Het bezwaarschrift is op 17 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van Pro de Wet genoemde termijn van veertien dagen. Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in haar bezwaar.
Als grondslag van het bevel heeft gediend het vonnis van 28 oktober 2019 van de kinderrechter van deze rechtbank, waarbij veroordeelde ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’ (artikel 311 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot een leerstraf voor de duur van 40 uren.
De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van Pro de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van Pro de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De rechtbank stelt vast dat artikel 311 Sr Pro, waarvoor veroordeelde tot een leerstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv Pro.
Aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto Pro artikel 1, onder c van de Wet is derhalve voldaan.
4.2.
Toetsingskader
De rechtbank stelt, met de Hoge Raad, voorop dat tekst, doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van Pro de Wet, celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij sprake is van een uitzonderingsgeval (Hoge Raad 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234, herhaald in Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626)
Uitzonderingen
Op grond van artikel 2 lid Pro 1, aanhef en onder b van de Wet beveelt de officier van justitie de afname ‘tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’.
Aard van het misdrijf
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven
waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing.
Bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd
De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd (Hoge Raad 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234). Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was, moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
4.3.
Beoordeling van het bezwaarschrift
Artikel 8 EVRM Pro
Veroordeelde wordt niet gevolgd in zijn bezwaar dat er sprake is van -kort gezegd- een onacceptabele inbreuk op zijn privacy en lichamelijke integriteit door de DNA-afname. De Wet, overeenkomstig artikel 8, tweede lid EVRM, is er ter bescherming van een groot strafvorderlijk belang en is noodzakelijk in een democratische samenleving. De verdragen bieden geen absoluut recht op onschendbaarheid van privacy en lichamelijke integriteit, het belang van veroordeelden kan ondergeschikt zijn aan het algemeen belang van voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Dit standpunt is ook reeds bij de totstandkoming van de Wet door de wetgever ingenomen (TK 2002-2003, 28 685, nr.5, p. 22-23, 32).
Na de totstandkoming van de Wet heeft ook het EHRM – meermalen – geoordeeld dat zowel het afnemen als het opslaan van celmateriaal weliswaar een inbreuk maakt op het privéleven van betrokkenen, doch dat deze maatregel is voorzien bij wet en het gerechtvaardigde doel dient van de voorkoming van strafbare feiten. Tevens oordeelde het EHRM dat de maatregel noodzakelijk is in een democratische samenleving (EHRM 7 december 2006, Appl. 29514/05).
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat afname van het celmateriaal op zichzelf een inbreuk op de privacy van veroordeelde maakt, doch deze inbreuk is geoorloofd omdat aan alle wettelijke criteria voor het maken van een inbreuk op dit recht is voldaan. Van bijzondere omstandigheden die dat in onderhavige zaak anders zouden maken is, naar het oordeel van de rechtbank, niet gebleken.
Overige bezwaren
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavig geval sprake is van bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd die een uitzondering op de Wet rechtvaardigen. Uit de stukken blijkt dat het gaat om een strafbaar feit dat veroordeelde op 3 mei 2019 als destijds 16-jarige heeft gepleegd. De kinderrechter heeft voor dit feit aan veroordeelde een leerstraf voor 40 uren opgelegd, die veroordeelde positief heeft afgerond Ter zitting is gebleken dat veroordeelde sinds zijn veroordeling een positieve ontwikkeling doormaakt en ‘de knop heeft omgezet’. Hij is vanuit een gesloten instelling, via begeleid wonen, thans toe aan de stap naar zelfstandig wonen en gaat met een opleiding beginnen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze met de persoon samenhangende omstandigheden sprake is van een gering recidivegevaar.
In het licht van de hierboven aangehaalde arresten van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat in dit concrete geval de gevolgen van het bepalen en het verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn.
4.4.
Conclusie
Nu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen, maar sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet, zal de rechtbank het bezwaar gegrond verklaren.
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar
gegronden beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond zal worden vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,
mrs. L. Dolfing en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier
en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2020.
De jongste rechter is buiten staat
om deze beschikking mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde geen rechtsmiddel open.