ECLI:NL:RBAMS:2020:4277

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 augustus 2020
Publicatiedatum
1 september 2020
Zaaknummer
AMS - 19 _ 3703
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Parkeerverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken procesbelang bij intrekking bedrijfsparkeervergunning

Eiseres maakte bezwaar tegen de intrekking van de bedrijfsparkeervergunning van [bedrijf 1], omdat zij de vergunning wilde overzetten op [bedrijf 2], de opvolger van het opgeheven bedrijf. Verweerder had de vergunning ingetrokken omdat het bedrijf waarvoor deze was verleend per 9 juni 2017 was opgehouden te bestaan.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was op grond van artikel 37, eerste lid, onder c, van de Parkeerverordening, omdat de vergunning niet meer voldeed aan de voorwaarden. Het bezwaar was niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, aangezien de intrekking niet ongedaan kon worden gemaakt.

Eiseres voerde aan dat zij recht had op een parkeervergunning voor het nieuwe bedrijf en dat zij onvoldoende was geïnformeerd over het intrekken van de vergunning en het 0-plafond. De rechtbank stelde dat de regelgeving openbaar was en dat het aan eiseres was om zich tijdig te informeren. Ook als het bezwaar als aanvraag was opgevat, zou geen vergunning zijn verleend vanwege het 0-plafond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van griffierecht af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van procesbelang bij intrekking van de bedrijfsparkeervergunning.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/3703

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Procesverloop

Met het besluit van 20 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfsparkeervergunning van [bedrijf 1] ingetrokken.
Met het besluit van 6 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 11 augustus 2020. In verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Corona-virus vond deze zitting via een videoverbinding plaats.
Namens eiseres heeft [de persoon] deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde die ook deelnam aan de Skypezitting.

Overwegingen

1.1.
Aan [bedrijf 1] is een parkeervergunning verleend voor het kenteken [kenteken] . Uit een controle met de gegevens uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) is gebleken dat de vestiging waarvoor de bedrijfsparkeervergunning is verleend is opgeheven. Daarom heeft verweerder met het primaire besluit de vergunning met kenteken [kenteken] per 1 april 2019 ingetrokken.
1.2.
Namens eiseres ( [eiseres] ) heeft G. [de persoon] bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en verzocht de parkeervergunning voor kenteken [kenteken] over te zetten op [bedrijf 2] Het kenteken stond volgens eiseres op naam van [bedrijf 1] , wat inmiddels is overgegaan in [bedrijf 2] Eiseres voegt een uittreksel KvK bij, waar dit uit blijkt.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is volgens verweerder niet-ontvankelijk wegens onvoldoende procesbelang, omdat de intrekking in deze procedure niet ongedaan kan worden gemaakt nu de rechtspersoon [bedrijf 1] is opgehouden te bestaan per 9 juni 2017. Verweerder wijst erop dat voor de overdracht van een bedrijfsparkeervergunning een afzonderlijke aanvraagprocedure bestaat.
3. Eiseres voert in beroep aan dat de bedrijfsauto’s sinds de fusie en oprichting van de [bedrijf 2] op naam van dit bedrijf staan en dat zij recht heeft op één parkeervergunning. De parkeervergunning stond op [bedrijf 1] en moet nu worden overgezet op de [bedrijf 2]
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard. Niet in geschil is dat [bedrijf 1] per 9 juni 2017 is opgehouden te bestaan. De parkeervergunning van [bedrijf 1] voldeed daarom niet meer aan de voorwaarden. Dat betekent dat verweerder op grond van artikel 37, eerste lid, onder c, van de Parkeerverordening de vergunning moest intrekken. Met het bezwaar kon eiseres niet bereiken dat de intrekking van de vergunning opgeheven zou worden, omdat het bedrijf nog steeds is opgeheven. Verweerder heeft daarom het bezwaar terecht niet‑ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
5. Eiseres heeft op de zitting nog aangevoerd dat de gemeente haar tijdig op de hoogte had moeten stellen dat de parkeervergunning zou worden ingetrokken en dat er een 0-plafond voor parkeervergunningen zou worden ingevoerd per of omstreeks 1 januari 2019, zodat zij tijdig voorafgaand aan de invoering van het 0-plafond een nieuwe aanvraag had kunnen indienen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de regelgeving omtrent parkeervergunningen en de invoering van het 0-plafond openbaar is. Het ligt op de weg van eiseres om zich daarover tijdig te laten informeren. De rechtbank merkt daarbij op dat deze informatie ook openbaar gemaakt wordt via huis-aan-huisbladen.
6. Tot slot merkt de rechtbank geheel ten overvloede nog op dat ook in het geval verweerder het bezwaar zou hebben opgevat als aanvraag voor een parkeervergunning voor de [bedrijf 2] , dit niet tot vergunningverlening zou hebben geleid omdat
- zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht - in het gebied waar het bedrijf van eiseres gevestigd is reeds een 0-plafond was ingesteld.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Sloot, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse‑Spoon, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als uw zaak spoedeisend is, kunt u de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.