Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het klaagschrift en standpunt van de verdediging
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.Beoordeling
5.Beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
Klager diende een klaagschrift in tegen het beslag op zijn personenauto, die in verband met rijden zonder geldig rijbewijs was ingenomen. De raadsman voerde aan dat een verbeurdverklaring niet in verhouding staat tot de overtreding en dat eerdere richtlijnen geen verbeurdverklaring bij een tweede overtreding voorschrijven.
Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen teruggave van het voertuig, stellende dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet vanwege recidive en eerdere strafbeschikkingen van klager. Tevens werden bij de inbeslagname lachgas en wiet aangetroffen, wat de indruk wekt dat klager de verkeersveiligheid niet serieus neemt.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in de beklagprocedure summier is en dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag kan rechtvaardigen als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het voertuig verbeurd wordt verklaard. Gezien het strafblad en de omstandigheden achtte de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter het voertuig zal verbeurd verklaren.
Daarom werd het beklag ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het beklag tegen het beslag op de auto wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.