ECLI:NL:RBAMS:2020:4530

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 september 2020
Publicatiedatum
14 september 2020
Zaaknummer
AMS 19/5808
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 2 Verordening parkeerbelastingen 2019 gemeente AmsterdamArt. 10 RVV 1990Art. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Parkeerbelasting naheffingsaanslag terecht opgelegd ondanks gedeeltelijk wiel op stoeprand

Op 31 mei 2019 werd een auto van eiser geparkeerd aangetroffen op een locatie in Amsterdam waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op omdat geen parkeerbelasting was betaald. Eiser stelde dat de auto met minimaal één wiel op het trottoir stond, wat volgens hem parkeren op een verboden plaats zou betekenen en dus geen parkeerbelasting verschuldigd was.

De rechtbank onderzocht de definitie van parkeren volgens artikel 225 van Pro de Gemeentewet en de Verordening parkeerbelastingen 2019 van Amsterdam. Parkeren is het laten staan van een auto op terreinen of weggedeelten waar dat niet wettelijk verboden is. Parkeren op een plek waar dat volgens een wettelijk voorschrift verboden is, valt niet onder deze definitie.

Hoewel de foto’s onduidelijk waren, oordeelde de rechtbank dat het mogelijk deels op de stoeprand staan van een wiel niet betekent dat de auto op het trottoir stond zoals bedoeld in artikel 10 RVV Pro 1990. Dit was hooguit slordig parkeren binnen het parkeervak. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd omdat de auto niet op een wettelijk verboden plaats stond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/5808

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam , verweerder.

Procesverloop

Op 5 juni 2019 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd.
In de uitspraak op bezwaar van 14 november 2019 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Bij aangetekend verzonden brieven van 21 juli 2020 heeft de griffier partijen laten weten dat de rechtbank de zaak zonder behandeling op zitting kan afdoen. Daarbij heeft de griffier partijen in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te laten weten of zij daartegen bezwaar hebben.
Partijen hebben de rechtbank niet laten weten dat ze op zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft daarom op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht besloten dat er geen zitting zal plaatsvinden en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De naheffingsaanslag is aan eiser opgelegd, omdat de auto van eiser op 31 mei 2019 om 10:26 uur volgens de heffingsambtenaar op de locatie [straatnaam] ter hoogte van nummer [nummer] in [plaatsnaam] geparkeerd stond en bij controle is gebleken dat daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.
2. Eiser voert aan dat uit de foto’s blijkt dat de auto gedeeltelijk, met (minimaal) één band, geparkeerd stond op het trottoir. Dat is bij wettelijk voorschrift verboden. Uit de Verordening parkeerbelastingen 2019 van de gemeente Amsterdam (de Verordening) volgt dat dan geen sprake is van parkeren in de zin van de Verordening en geen parkeerbelasting verschuldigd is.
Juridisch kader
3. Relevant in deze zaak is artikel 225, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet. In samenhang bezien staat daarin dat de gemeente voor het parkeren belasting kan heffen en dat onder parkeren wordt verstaan – voor zover voor deze zaak van belang - het laten staan van een auto op terreinen of weggedeelten, waarop dit laten staan niet volgens een wettelijk voorschrift verboden is. Artikel 2, onder a, van de Verordening geeft een gelijkluidende definitie van het begrip ‘parkeren’.
Het oordeel van de rechtbank
4. Van parkeren is geen sprake (en is dus geen parkeerbelasting verschuldigd) als de auto geparkeerd stond op een plaats waar dat volgens een wettelijk voorschrift verboden is. Dit volgt uit de definitie van het begrip ‘parkeren’ in de Gemeentewet en de Verordening. Het gaat hier om artikel 10, eerste lid, RVV 1990.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de [straatnaam] ter hoogte van nummer [nummer] in [plaatsnaam] is aangewezen als een plaats waar voor het parkeren van een auto parkeerbelasting is verschuldigd.
6. De foto’s in het dossier zijn enigszins onduidelijk, maar voor zover daaruit al eenduidig zou kunnen worden afgeleid dat de auto met het rechterachterwiel (gedeeltelijk) een klein beetje op de stoeprand staat, betekent nog niet dat sprake is van een belastbaar feit. Eiser heeft in dat geval slordig in het parkeervak geparkeerd, maar niet kan worden gezegd dat hij voor het parkeren gebruik heeft gemaakt van het trottoir als bedoeld in artikel 10, eerste lid, RVV 1990.
7. De rechtbank is het daarom niet eens met eiser dat zijn auto stil stond op een plaats waar dat volgens een wettelijk voorschrift verboden is.
8. Het voorgaande brengt mee dat op 31 mei 2019 sprake was van parkeren als bedoeld in artikel 225 van Pro de Gemeentewet en artikel 2, onder a, van de Verordening.
9. De conclusie is dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.
10. Het beroep is ongegrond. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.C. Trommel, griffier, op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam .
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.