ECLI:NL:RBAMS:2020:4549

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 augustus 2020
Publicatiedatum
15 september 2020
Zaaknummer
RK 20/1523
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking op klaagschrift inzake teruggave in beslag genomen goederen na vrijspraak witwassen

Klaagster verzocht om teruggave van een groot aantal in beslag genomen goederen, waaronder jassen, kledingstukken, tassen en een autosleutel, nadat zij was vrijgesproken van witwassen van deze goederen. Desondanks weigerde het Openbaar Ministerie de goederen terug te geven omdat deze in strafzaken tegen haar zoons door de rechtbank verbeurd waren verklaard, hoewel deze vonnissen nog in hoger beroep zijn.

De rechtbank benadrukte het summiere karakter van de beklagprocedure ex artikel 552a Sv en dat zij niet inhoudelijk kan oordelen over de uitkomst van de nog lopende hoofd- of ontnemingszaken. De toetsing richt zich op het belang van de strafvordering en of het voortduren van het beslag noodzakelijk is.

Gezien het feit dat de goederen reeds in eerste aanleg verbeurd zijn verklaard en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat dit in hoger beroep wordt bevestigd, oordeelde de rechtbank dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave. Het klaagschrift werd daarom ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en de teruggave van de in beslag genomen goederen wordt geweigerd.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/654080-18
RK: 20/1523
Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman,
mr. P.A. van der Waal, Veembroederhof 109, 1019 HD Amsterdam,
klaagster, tevens beslagene.

Procesgang

Het klaagschrift is op 19 maart 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 23 maart 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 19 augustus 2020 klaagster, haar raadsman en de officier van justitie, mr. H.A.M. Brok, in openbare raadkamer gehoord.

Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
een groot aantal jassen, kledingstukken, tassen e.d. en een sleutel van een motorrijtuig van het merk Porsche.
Klaagster is door rechtbank vrijgesproken van het witwassen van deze goederen, maar desondanks weigert het OM de goederen terug te geven.
De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd.
De inbeslaggenomen goederen zijn door klaagster in de loop van vele jaren aangeschaft, veelal op bazars. Haar zonen waren destijds nog klein, de goederen zijn niet van hen maar van klaagster. In de vonnissen tegen de zoons van klaagster heeft de rechtbank een generieke beslissing genomen. In die zaken loopt het hoger beroep nog.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klaagster en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat deze goederen in de strafzaken tegen de [veroordeelde 1] en [veroordeelde 2] door de rechtbank verbeurd zijn verklaard. Deze vonnissen zijn nog niet onherroepelijk maar gelet hierop is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter in hoger beroep eveneens zal overgaan tot verbeurdverklaring van de goederen.

De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 5 juli 2018 zijn op de voet van artikel 94 Sv Pro voornoemde voorwerpen in beslag genomen.
Klaagster werd verdacht van witwassen van deze goederen. Door de rechtbank is zij van deze verdenking vrijgesproken. De goederen zijn verbeurdverklaard in de strafzaken tegen haar zoons. De goederen zijn tijdens de behandeling van de zaken expliciet onderwerp van gesprek geweest. In deze zaken is hoger beroep ingesteld.
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.
In het onderhavig geval is sprake van voorwerpen die volgens het Openbaar Ministerie vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.
De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de voorwerpen zal uitspreken of de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zal opleggen.
Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in hoger beroep, later oordelend, de in beslag genomen voorwerpen zal verbeurd verklaren. Immers, de strafrechter in eerste aanleg heeft de goederen bij vonnis al verbeurd verklaard.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.

De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door
mr. L. Dolfing, rechter,
in tegenwoordigheid van G. Jenuwein, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.