Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[verzoeker] ,
De procesgang
De inhoud van het verzoekschrift
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De beoordeling
De beslissing
[verzoeker] .
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering tot vergoeding van de kosten van zijn raadsman en de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift. De strafzaak tegen verzoeker werd op 31 januari 2020 geseponeerd door het Openbaar Ministerie.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek tijdig is ingediend en dat er gronden van billijkheid zijn om een vergoeding toe te kennen. De opgegeven kosten van de raadsman worden onderbouwd met een urenspecificatie en declaratie, maar het gehanteerde uurtarief van circa € 380,- wordt als niet billijk beoordeeld gezien de aard van de zaak, die ogenschijnlijk eenvoudig is.
De rechtbank matigt daarom de vergoeding tot € 3.000,- voor de kosten van de raadsman en kent daarnaast de standaardvergoeding van € 550,- toe voor de kosten van het verzoekschrift. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. De beschikking is openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020 door rechter L. Dolfing.
Uitkomst: De rechtbank kent gedeeltelijk een vergoeding toe van € 3.550,- voor kosten raadsman en verzoekschrift na sepot van de strafzaak.