ECLI:NL:RBAMS:2020:4837
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot doorstorting ontnemingsgeld aan slachtoffer uitbuiting
Verzoekster heeft verzocht om de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden uit de ontnemingsmaatregel, opgelegd aan veroordeelde, aan haar door te laten storten. Veroordeelde is veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €210.000,-, voortkomend uit de uitbuiting van verzoekster. Hoewel verzoekster zich destijds niet als benadeelde partij heeft gevoegd, is er een vaststellingsovereenkomst tussen partijen van €181.845,77.
De rechtbank heeft in raadkamer gehoord dat veroordeelde de betalingsregeling met het CJIB correct nakomt en geen bezwaar heeft tegen doorstorting van de gelden aan verzoekster. Het Openbaar Ministerie steunt dit standpunt omdat de maatregel is gebaseerd op de uitbuiting van verzoekster. De rechtbank stelt vast dat verzoekster geen rechtens toekomende vordering heeft, maar erkent haar als slachtoffer.
Op grond van artikel 6:6:26 lid 1 Sv Pro besluit de rechtbank dat de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden aan verzoekster worden doorbetaald, met een bedrag van €181.845,77. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en beveelt doorstorting van €181.845,77 uit de ontnemingsmaatregel aan verzoekster.