Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het klaagschrift
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde een klaagschrift ex artikel 552a Sv van klager die teruggave vorderde van een inbeslaggenomen geldbedrag van €7.365,-. Het geld was in oktober 2019 in beslag genomen in het kader van een onderzoek naar opiumwetdelicten en witwassen. Klager stelde dat het geld afkomstig was uit een nalatenschap van zijn overleden vader en dat er geen strafvorderlijk belang meer was om het beslag te handhaven.
De rechtbank benadrukte het summiere karakter van de beklagprocedure en dat zij niet inhoudelijk kan oordelen over de uitkomst van de nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak. Er was een machtiging voor conservatoir beslag en het belang van strafvordering verzet zich tegen opheffing van het beslag zolang het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat klager in een ontnemingszaak zal worden veroordeeld tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gezien de stukken en het verhandelde in raadkamer achtte de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een ontnemingsverplichting zal worden opgelegd. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard. Vanwege de coronapandemie werd geen termijn gesteld voor de behandeling van de ontnemingszaak, maar het Openbaar Ministerie werd verzocht deze zo spoedig mogelijk te plannen.
Klager kan tegen deze beschikking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en het conservatoir beslag op het geldbedrag wordt gehandhaafd.