Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het klaagschrift
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.Standpunt van de Douane
5.De beoordeling
6.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
Op 12 juli 2019 werd de personenauto van klager in beslag genomen vanwege de aanwezigheid van een verborgen ruimte onder een van de voorstoelen. Klager diende een klaagschrift in op grond van artikel 1:37 van Pro de Algemene Douanewet, stellende dat de inbeslagname onrechtmatig was omdat er geen sprake was van grensoverschrijdend vervoer en de doorzoeking onrechtmatig zou zijn verricht.
De rechtbank oordeelde dat de opsporingsambtenaren bevoegd waren om onder de auto te kijken en dat er een objectieve verdenking bestond vanwege de aanwezigheid van een metalen bak die als verborgen ruimte diende. De auto werd daarmee terecht in beslag genomen op grond van artikel 1:37 Adw Pro. De rechtbank verwierp het verweer dat de auto niet als vervoermiddel in de zin van de Douanewet kon worden aangemerkt en dat voor inbeslagneming grensoverschrijdend vervoer vereist zou zijn.
Ook het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming werd afgewezen omdat klager niet onevenredig werd getroffen door het verlies van de auto. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en bevestigde de rechtmatigheid van de inbeslagname en het onderzoek aan de auto.
Tegen deze beslissing staat klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en de inbeslagname van de auto met verborgen ruimte is rechtmatig.