Eiseres heeft op 11 augustus 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar Wob-verzoek, dat zij op 13 december 2019 bij het ministerie van Justitie en Veiligheid had ingediend. Het verzoek betrof openbaarmaking van meer dan 90 documenten gerelateerd aan het rapport '[naam]' en een brief aan de Tweede Kamer. Verweerder ontving het verzoek op 16 december 2019 en gaf op 13 januari 2020 aan vier weken extra nodig te hebben voor besluitvorming, waardoor de uiterste beslisdatum op 10 februari 2020 lag.
De rechtbank constateert dat verweerder deze termijn heeft overschreden en dat eiseres verweerder op 23 juli 2020 in gebreke heeft gesteld, waarna zij op 11 augustus 2020 beroep instelde. Verweerder gaf aan dat de beperkte capaciteit van de juridische afdeling en coronamaatregelen de vertraging veroorzaakten. De rechtbank oordeelt dat een termijn van vier weken na de uitspraak voldoende is om het besluit te nemen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt verweerder op binnen vier weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, en legt een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.