ECLI:NL:RBAMS:2020:5224
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning rondvaartboten
Verzoekers, vier besloten vennootschappen, hadden exploitatievergunningen voor het vervoeren van personen over water die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam zijn ingetrokken wegens het niet gebruiken van deze vergunningen gedurende ten minste 12 maanden. Verzoekers stelden dat vijf van de zes boten al vaarklaar zouden zijn en vroegen om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen.
De voorzieningenrechter constateerde dat verzoekers onvoldoende concreet hadden aangetoond dat de boten daadwerkelijk gereed waren voor keuring en directe exploitatie. De overgelegde stukken en verklaringen boden geen aanwijzingen dat de boten op de werf gereed lagen. Ook ontbraken onderbouwingen van de financiële gevolgen voor de bedrijven van verzoekers.
Het belang van het college, dat schaarse vergunningen eerlijk wil verdelen en misbruik wil voorkomen, woog zwaarder dan het belang van verzoekers. De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en er was geen mogelijkheid tot beroep tegen deze uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de exploitatievergunningen wordt afgewezen.