Uitspraak
1.Uitgangspunten
- [gedaagde] 50 % van de huur/pacht betaalt;
- [eiseres] een huurkorting van 25 % geeft.
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een geschil over de huur van een bedrijfsruimte met een horecafunctie, waarbij de huurder vanwege de coronamaatregelen een huurkorting en opschorting toepaste. De huurovereenkomst loopt tot eind 2028 en de huurprijs bedraagt circa €3.577,46 per maand plus €500 pacht. Door de sluiting van de horeca vanaf 15 maart 2020 ontstond omzetverlies, waarop de huurder een huurkorting van 25% en een opschorting van 25% claimde.
In een eerder kort geding van juni 2020 werd vastgesteld dat de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid vormt en een gebrek in de zin van het huurrecht, waardoor een huurkorting van 25% redelijk is, maar een opschorting van 25% werd slechts voor een periode tot 1 oktober 2020 toegestaan. De huurder betaalde na dit vonnis de verschuldigde bedragen, inclusief de huurkorting over april tot september 2020.
De verhuurder vorderde ontruiming wegens vermeende structurele niet-tijdige betaling en het niet tijdig voldoen van de opgeschorte huur. De rechtbank oordeelde dat de huurder niet structureel te laat betaalde en dat de opschorting niet zonder meer opeisbaar was, mede omdat de verhuurder geen bodemprocedure is gestart en de huurder de achterstanden inmiddels heeft voldaan. Ook werd meegewogen dat de horeca opnieuw gesloten was vanaf oktober 2020, waardoor het niet redelijk was om ontruiming toe te wijzen.
De rechtbank veroordeelde de verhuurder tot betaling van de proceskosten en wees de vordering tot ontruiming af.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.