De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 november 2020 de vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De verdachte werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, een lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW).
De verdediging voerde aan dat het aangekruiste lijstfeit niet in redelijkheid was gekozen en dat de verdachte vanwege zijn Nederlandse nationaliteit en medische situatie, mede in het licht van de COVID-19-pandemie, niet overgeleverd mocht worden vanwege het risico op een schending van fundamentele rechten door langdurige voorlopige hechtenis in België. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat geen evidente tegenstrijdigheid bestond in de feitomschrijving en dat de Belgische rechter bevoegd is om de voorlopige hechtenis te beoordelen.
De rechtbank achtte de door de Belgische autoriteiten gegeven garantie voldoende dat de verdachte, indien veroordeeld, zijn straf in Nederland zal mogen ondergaan. Ook werd geoordeeld dat de situatie in België omtrent COVID-19 vergelijkbaar is met Nederland en dat de medische situatie van de verdachte kan worden meegenomen bij de feitelijke overlevering, maar geen reden vormt om de overlevering te weigeren.
De rechtbank besloot de overlevering toe te staan, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.