Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[woonplaats] ,
1.Onderzoek ter terechtzitting
mr. P. van Laere, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.M. Koers, naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
[slachtoffer 1] al dan niet in vereniging gepleegd op 16 oktober 2018 te Amsterdam;
20 december 2018 te Amsterdam;
7 december 2018 te Amsterdam;
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.Waardering van het bewijs
7 december 2018 ontmoet op een feest. Op 19 december 2018 om 4:15 uur zijn deze jongens naar haar huis in Amsterdam gekomen. Verdachte heeft haar toen gevraagd of zij treinkaartjes voor hem en de andere jongens wilde kopen. Zij hoefde alleen maar het geld dat naar haar zou worden overgemaakt te pinnen. Die dag rond 8:25 uur zijn [slachtoffer 6] en de jongens naar een pinautomaat gegaan. [slachtoffer 6] heeft gezien dat verdachte drie keer een geldbedrag heeft overgemaakt naar haar bankrekening, namelijk twee keer € 500,- en een keer € 440,-. Vervolgens heeft [slachtoffer 6] € 1.400,- gepind. Later heeft [slachtoffer 6] gezien dat het geld afkomstig was van een bankrekeningnummer op naam van [slachtoffer 3] . Uit de door [slachtoffer 6] overgelegde stukken en uit haar verklaring blijkt dat zij WhatsApp-contact heeft gehad met verdachte via het nummer [nummer] .
(zie zaak B, feiten 1, 2 en 3)heeft verklaard dat zij verdachte en twee anderen op 7 december 2018 op een feest heeft leren kennen. Ook heeft [slachtoffer 6] verklaard dat zij contact heeft gehad met verdachte via het telefoonnummer [nummer] . Daarnaast is dit telefoonnummer aan verdachte gelinkt door aangeefster [naam aangeefster] , die aangifte heeft gedaan van fraude tegen verdachte. Zij heeft verklaard dat zij verdachte heeft leren kennen in Spanje in oktober 2018 en dat hij haar voornoemd telefoonnummer gegeven.
[slachtoffer 4] als [naam 1] .
modus operandi). Deze is terug te vinden in de in zaak A, zaak B onder 1, 2 en 3 en in zaak C (hierna) bewezen geachte feiten en omstandigheden en komt op de volgende essentiële punten in voorkomende gevallen overeen:
4.Bewezenverklaring
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat – bewezen dat verdachte
50 euro, een bankpas en een portemonnee, die toebehoorden aan een ander dan aan verdachte, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.Strafbaarheid van de feiten
6.Strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf
De reclassering heeft geconcludeerd dat het voortzetten van een toezicht geen meerwaarde heeft, omdat verdachte zich niet coöperatief opstelt.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
18 maanden.