ECLI:NL:RBAMS:2020:5779
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Voorlopige omgangsregeling vader en dochter bij eenhoofdig gezag
Partijen zijn de ouders van een zesjarige dochter die bij de moeder woont, die het eenhoofdig gezag heeft. De vader heeft sinds april 2020 geen omgang meer gehad met zijn dochter en vordert een omgangsregeling van drie dagen per week. De moeder vordert in reconventie een zeer beperkte omgang van drie uur per maand onder begeleiding van haar zus.
De rechtbank constateert dat de ouders een moeizame relatie hebben en niet met elkaar communiceren, maar benadrukt het belang van omgang voor het kind. Er is geen bewijs dat omgang schadelijk is voor het kind, ondanks beweringen van de moeder over het gedrag van de vader.
De rechtbank vindt de voorgestelde omgangsduur van de vader te veel en die van de moeder te weinig en stelt daarom een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de omgang om de week op zondag plaatsvindt, met een geleidelijke opbouw van drie naar zeven uur. De omgang vindt plaats bij de vader thuis, waarbij de moeder het kind brengt en de vader het weer terugbrengt.
De moeder wordt veroordeeld tot een dwangsom bij niet-naleving van de regeling, en de kosten van de procedure worden tussen partijen verrekend. De tegenvordering van de moeder wordt afgewezen. De regeling geldt totdat anders wordt beslist of partijen anders overeenkomen.
Uitkomst: Voorlopige omgangsregeling om de week op zondag met geleidelijke opbouw van uren, dwangsom bij niet-naleving en afwijzing tegenvordering moeder.