Eiser verzocht het bestuur van een subsidieverstrekker om sancties op te leggen aan producent en distribiteur van een filmproject en om schadevergoeding wegens vermeend frauduleus handelen. Het bestuur wees deze verzoeken af en verklaarde het bezwaar deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Amsterdam.
De rechtbank oordeelde dat het bestuur terecht het bezwaar inzake sanctieoplegging niet-ontvankelijk verklaarde omdat er geen lopende subsidieaanvraag was waarop het sanctiebeleid toegepast kon worden. De bevoegdheid tot sanctieoplegging was daarmee afwezig. Het beroep op een afwijkingsbevoegdheid werd verworpen vanwege het legaliteitsbeginsel.
Ten aanzien van het schadeverzoek stelde de rechtbank vast dat schade die te herleiden is tot besluiten van vóór 1 juli 2013 niet kan leiden tot vergoeding omdat de besluiten rechtmatig zijn en onherroepelijk vaststaan. Voor schade na die datum is de bestuursrechter slechts bevoegd tot € 25.000,-, terwijl eiser een veel hoger bedrag vorderde. De rechtbank verklaarde het bezwaar daarom ook niet-ontvankelijk.
Verder werd een schending van de hoorplicht vastgesteld, maar dit werd gepasseerd omdat eiser niet in zijn belangen was geschaad. De rechtbank veroordeelde het bestuur tot vergoeding van het griffierecht aan eiser en wees het beroep verder af.