AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering schorsing executie ontruimingsvonnis na afwijzing hoger beroep
Eiser vordert in kort geding de schorsing van de executie van een ontruimingsvonnis van de kantonrechter totdat het hoger beroep is beslist. Deze vordering wordt afgewezen omdat het hof in het hoger beroep reeds eenzelfde verzoek tot schorsing op grond van artikel 351 RvPro heeft afgewezen, en eiser niet de gronden tijdig heeft aangevoerd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het in strijd is met het wettelijke systeem om na een afwijzing op grond van artikel 351 RvPro opnieuw schorsing te vorderen bij de rechtbank op grond van artikel 438 RvPro. Daarom is eiser niet-ontvankelijk en wordt de gevraagde voorziening geweigerd.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Tevens wordt opgemerkt dat executie van een niet-onherroepelijke uitspraak voor risico van de executant is en dat het hof rekening kan houden met nieuwe feiten, waardoor in een later stadium mogelijk schadevergoeding kan volgen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.M.E. de Koning op 24 november 2020 en het proces-verbaal is vastgesteld op 26 november 2020.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de executie van het ontruimingsvonnis wordt geweigerd wegens niet-ontvankelijkheid.
zaaknummer / rolnummer: C/13/692905 / KG ZA 20-1036 CdK/MAH
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak
van 24 november 2020
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser bij dagvaarding van 16 november 2020,
advocaat mr. A.C. Mens te Hoofddorp,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. R.N.E. Visser te Amsterdam.
1.De procedure
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
Tegenwoordig zijn mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, en mr. M.A.H. Verburgh, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen: - [gemachtigde] (schriftelijk gevolmachtigde en broer van [eiser] ) met mr. Mens, - namens [gedaagde] : mr. Visser.
Partijen hebben over en weer het woord gevoerd, onder meer aan de hand van de door mr. Mens en mr. Visser overgelegde pleitnotities die aan het dossier zijn toegevoegd. Namens [eiser] zijn producties in het geding gebracht. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 30p lid 3 Rv dit proces-verbaal opgemaakt.
De voorzieningenrechter heeft de volgende uitspraak gedaan:
2.De gronden van de beslissing
2.1.
[eiser] vordert schorsing van de executie van het ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 9 juni 2020 totdat is beslist op het door hem ingestelde hoger beroep.
2.2.
De vordering zal worden afgewezen om formele redenen. Ter zitting is gebleken dat [eiser] in het aanhangige hoger beroep op grond van artikel 351 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter heeft gevorderd en dat deze incidentele vordering door het Hof Amsterdam bij arrest (in het incident) van 22 september 2020 is afgewezen. De vordering is niet inhoudelijk behandeld, maar afgewezen omdat [eiser] niet meteen de gronden had aangevoerd en vervolgens kreeg hij daar geen termijn meer voor. Dat komt voor rekening van [eiser] .
2.3.
Het is in strijd met het systeem van de wet om op grond van artikel 438 RvPro aan de voorzieningenrechter van de rechtbank schorsing van de executie van een vonnis te vorderen nadat een zelfde vordering op grond van artikel 351 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering is afgewezen. Daarom is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering en zal de gevraagde voorziening worden geweigerd. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
2.4.
Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt. Executie (van een niet onherroepelijke uitspraak) is altijd voor risico van de executant. Het Hof zal rekening kunnen houden met nieuwe feiten. Als [gedaagde] inderdaad overgaat tot ontruiming en vervolgens door het Hof in het ongelijk zou worden gesteld, dan kan zich dat vertalen in schadevergoeding. In die zin zijn de belangen van [eiser] , die naar zijn zeggen voornamelijk zijn financiële investering betreffen, meegewogen. Dit geldelijk belang was voor [eiser] ook de reden dat hij huurder wilde blijven.
3.De beslissing
De voorzieningenrechter
3.1.
weigert de gevraagde voorziening,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op: