Het klaagschrift van een gedetineerde richt zich tegen de verstrekking en het gebruik van identiteitsgegevens die zijn opgevraagd via een Europees onderzoeksbevel uit België. De raadsvrouw van klager verzocht de rechtbank Amsterdam om de overdracht van deze gegevens te verbieden en vernietiging van reeds verstrekte gegevens.
De rechtbank Amsterdam oordeelt echter dat zij niet bevoegd is om het klaagschrift te behandelen, omdat de kennisneming van de gegevens op vordering heeft plaatsgevonden in Rotterdam. Volgens artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de rechtbank van het arrondissement waar de kennisneming plaatsvond bevoegd.
De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en zendt het klaagschrift door naar de rechtbank Rotterdam. Klager wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen veertien dagen beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad tegen deze beslissing.