ECLI:NL:RBAMS:2020:6228

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 december 2020
Publicatiedatum
11 december 2020
Zaaknummer
13/730002-20 (Promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen en medeplichtigheid wederrechtelijke vrijheidsberoving en witwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving en witwassen van een geldbedrag van 100.000 euro. De feiten zouden hebben plaatsgevonden tussen eind 2019 en begin 2020 in Amsterdam en Almere.

Tijdens de zittingen op 16, 17 en 14 december 2020 was verdachte niet aanwezig, maar werd zij vertegenwoordigd door haar raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging stelden beiden dat onvoldoende bewijs bestond om opzet of wetenschap van verdachte aan te tonen met betrekking tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het witwassen.

De rechtbank concludeerde dat niet is komen vast te staan dat verdachte op de hoogte was van de plannen om het slachtoffer en haar kinderen te ontvoeren en vast te houden, noch dat zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er geld in haar woning werd bewaard. Hierdoor kon geen opzet of medeplichtigheid worden bewezen.

De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens werden de inbeslaggenomen geldbedragen in bewaring gesteld ten behoeve van de rechthebbende. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard en zij dragen ieder hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs van opzet en wetenschap bij wederrechtelijke vrijheidsberoving en witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/730002-20 (Promis)
Datum uitspraak: 14 december 2020
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 16 en 17 november 2020 en 14 december 2020. Verdachte was bij de behandeling van haar strafzaak niet aanwezig. Haar raadsvrouw mr. S.C. van Bunnik was wel aanwezig en uitdrukkelijk gemachtigd door verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. C.J. Cnossen en E.B. Smit (
hierna: de officier van justitie), de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. S.C. van Bunnik naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat zij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan
feit 1:
een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] en haar kinderen in de periode van 31 december 2019 tot en met 1 januari 2020 in Amsterdam en Almere, door de woning van [slachtoffer] te betreden met de eerder door hen weggenomen huissleutel, door te zeggen dat [slachtoffer] haar spullen moest pakken, door [slachtoffer] en haar kinderen te laten plaatsnemen in klaarstaande voertuigen, door [slachtoffer] haar telefoon te laten afstaan, door [slachtoffer] en haar kinderen naar de [adres] in [plaats] te brengen, door [slachtoffer] mee te nemen naar een parkeerplaats tegenover het Campanile hotel in Amsterdam Zuidoost en vervolgens weer mee terug naar de [adres] , door [slachtoffer] te slaan met een vuurwapen en te overgieten met kokend water, door [slachtoffer] met een vuurwapen te dreigen haar en haar kinderen te vermoorden, door [slachtoffer] en haar kinderen voortdurend te bewaken en door de woning op de [adres] in [plaats] ter beschikking te stellen;
indien dat niet tot een bewezenverklaring leidt is ten laste gelegd:
medeplichtigheid aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] en haar kinderen in de periode van 31 december 2019 tot en met 1 januari 2020 in Amsterdam en Almere, door voornoemde feitelijkheden.
feit 2:
witwassen van een geldbedrag van 100.000 euro in de periode van 19 november 2019 tot en met 30 december 2019 in Amsterdam.
De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3.Vrijspraak

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan niet worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving, dan wel op medeplichtigheid daarbij. Niet is komen vast te staan dat verdachte op de hoogte is geweest van de plannen van de medeverdachten om aangeefster te ontvoeren en vast te houden in de woning van verdachte. Daarom kan niet worden bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van opzet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving of op de medeplichtigheid daarbij. Ten aanzien van de witwasverdenking kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad of had moeten hebben van het geldbedrag dat in de woning van verdachte is bewaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
Van een wederrechtelijke vrijheidsberoving is geen sprake geweest. Indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is geweest van een ontvoering, dan heeft verdachte daarvan geen wetenschap gehad. Omdat verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd en geen opzet heeft gehad om bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving behulpzaam te zijn, kan ook het medeplegen of medeplichtigheid niet worden bewezen. Bovendien is de verklaring van aangeefster om meerdere redenen onbetrouwbaar en ontbreekt steunbewijs.
Het witwassen kan evenmin worden bewezen, omdat enkel op grond van de verklaring van aangeefster niet kan worden vastgesteld dat verdachte van geld in haar woning wist of dat zij dat redelijkerwijze moest weten.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Met de raadsvrouw en officier van justitie acht de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

4.Beslag

Onder verdachte zijn de geldbedragen zoals vermeld onder nummers 1 en 2 op de beslaglijst in bijlage II bij dit vonnis in beslag genomen.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De inbeslaggenomen geldbedragen zoals vermeld onder nummers 1 en 2 op de beslaglijst in bijlage II bij dit vonnis dienen te worden bewaard voor de rechthebbende. De goederen zijn aangetroffen in het huis van verdachte in het onderzoek naar de door de medeverdachten begane misdrijven. Nu onvoldoende is gebleken of deze voorwerpen aan verdachte dan wel aan derden toebehoren, zullen deze voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

5.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer] , [dochtertje 1] en [dochtertje 2] zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan:
Nummers 1 en 2 van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de aan dit vonnis als bijlage II gehechte beslaglijst.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [dochtertje 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [dochtertje 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.W. Pieters, voorzitter,
mrs. M.J.E. Geradts en A.A. Fase, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2020.