De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving en witwassen van een geldbedrag van 100.000 euro. De feiten zouden hebben plaatsgevonden tussen eind 2019 en begin 2020 in Amsterdam en Almere.
Tijdens de zittingen op 16, 17 en 14 december 2020 was verdachte niet aanwezig, maar werd zij vertegenwoordigd door haar raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging stelden beiden dat onvoldoende bewijs bestond om opzet of wetenschap van verdachte aan te tonen met betrekking tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het witwassen.
De rechtbank concludeerde dat niet is komen vast te staan dat verdachte op de hoogte was van de plannen om het slachtoffer en haar kinderen te ontvoeren en vast te houden, noch dat zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er geld in haar woning werd bewaard. Hierdoor kon geen opzet of medeplichtigheid worden bewezen.
De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens werden de inbeslaggenomen geldbedragen in bewaring gesteld ten behoeve van de rechthebbende. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard en zij dragen ieder hun eigen kosten.